Kleurenzien speelt rol bij de snelle evolutie van cichlidesoorten

Niet elke cichlidesoort ziet hetzelfde. Britse oogspecialisten ontdekten dat in vier nauw verwante soorten van deze vissen afkomstig uit het Malawimeer heel verschilende oogpigmenten (opsines) actief waren. De onderzoekers identificeerden in totaal zeven oogpigmenten in het cichliden-DNA. Bij elke soort was telkens een andere set van drie pigmenten actief (Current Biology, 11 oktober).

Kleurenzien speelt een belangrijke rol in de partnerkeuze van de cichliden, een soortenrijke vissengroep uit de Oostafrikaanse meren. Daardoor kunnen verschillen in de gevoeligheid voor bepaalde kleuren een grote invloed hebben op de soortvorming. De Britten speculeren zelfs dat hier de verschillen in kleurenzien de motor kunnen vormen van het ontstaan van nieuwe soorten. Cichliden staan bekend om hun razendsnelle evolutie. In de laatste honderdduizend jaar ontstonden er honderden nieuwe soorten, die sterk verschillen in uiterlijk en voedselvoorkeur.

Opsines zijn lichtgevoelige eiwitten die de kleurgevoelige pigmenten in de kegeltjes van het netvlies vormen. Alle vier onderzochte soorten bezitten de genen van zeven afzonderlijke opsines in hun DNA: een opsine gevoelig voor lange golflengtes, drie verschillende groenlichtgevoelige, een blauwlichtgevoelige, een violetlichtgevoelige en een ultravioletlichtgevoelige opsine. Toch was er bij elke soort maar een set van drie van deze opsines actief.

De vier soorten die de Britse onderzoekers onder de loep namen zijn onderling erg verschillend in kleur en tekening, maar hebben daarnaast een verschillende voorkeur voor voedsel en leefomgeving. De rotsbewonende Metriaclima zebra, de algenetende Pseudotropheus acei komt voor in ondiep water met gladde zandbodems, de alleseter Melanochromis vermivorus leeft in ondiep water met een rotsachtige bodem, de insectenetende Tramitichromis intermedius leeft in water met zandbodems en veel waterplanten.

De Britten zien een mogelijk verband tussen het specifieke kleurenzien en de leefwijze van de vissoorten. De soorten die zich voeden met algen en kleine waterdiertjes (M. vermivorus en P. acei) hebben een set oogpigmenten waardoor zij gevoeliger zijn voor zichtbaar licht van kortere golflengtes en ultraviolet licht. Daardoor kunnen zij hun prooi mogelijk beter detecteren. T. intermedius heeft daarentegen een gezichtsvermogen dat gevoeliger is in het lange golflengtegebied, waardoor deze vissoort beter kan zien in woelig water.

In een begeleidend commentaar concluderen Australische onderzoekers dat de opsines bij de cichliden mogelijk een voorbeeld zijn van `evolutie in de wachtkamer'. Zodra een cichlidesoort overschakelt op een andere set opsines die aanwezig zijn in het genoom, ontstaat er een nieuwe soort.