Het beste bestaat niet

`Wegwezen hier. Dat was de eerste gedachte die bij me opkwam toen ik de polder zag waar Almere moest worden gebouwd. Toen ik bouwkunde in Delft studeerde, zei onze mentor Cornelis van Eesteren tegen ons: die nieuwe polders, daar kun je mooi op afstuderen. Maar we kozen Amsterdam als afstudeeronderwerp, en niet die kale polders. Ik ging ook eerst werken bij een Amsterdams architectenbureau. Maar in 1972 reageerde ik toch op een advertentie in de krant waarin werd gevraagd om mensen voor het ontwerpen van een nieuwe stad in Flevoland. Uiteindelijk heb ik dertig jaar, tot 2002, aan Almere gewerkt.

Tegenwoordig hopt men van de ene baan naar de andere, maar ik heb geen spijt van dertig jaar werken aan één stad. Wat je bedacht, werd ook gemaakt. Natuurlijk werkte ik niet alleen: Almere is ontworpen door een team van geografen en planologen, stedenbouwers en landschappers en verkeers- en cultuurtechnische ingenieurs. Zeker in het begin, toen er nog geen politiek was in Almere, konden we onze gang gaan.

In onze nieuwe woonplaats, Lelystad, waren we pioniers. Geen boom was er dikker dan een vinger, je moest zondags naar de Veluwe om echt bos te zien. Dat mijn vrouw en ik er tot op de dag van vandaag, meer dan dertig jaar lang, zouden blijven wonen, was toen onvoorstelbaar.

Als ontwerpers van Almere hebben we ons afgezet tegen dat toen tochtige Lelystad. En tegen de Bijlmermeer, begin jaren zeventig de nieuwste wijk van Amsterdam. Dat we die afkeurden was eigenlijk merkwaardig, want we waren beslist niet anti-modernistisch. Integendeel: we verfoeiden juist de traditionele bouwstijl van de Delftse School. Alleen, het modernisme van Lelystad en de Bijlmermeer bleek niet te werken. Dat hele verhaal van modernistische architecten als Le Corbusier over wonen in een park waar de nachtegaal zingt, is niet uitgekomen. De modernisten wilden de straat afschaffen, en een strikte scheiding van wonen, werken en recreëren. Dat idee is in de Bijlmer op een extreme manier toegepast en, op een andere manier, ook in Lelystad. Maar het leidde tot zielloosheid. Dat moest in Almere niet weer gebeuren.

Als het niet zo'n vreselijk begrip was, zou je Almere de eerste `postmoderne' stad in Nederland kunnen noemen. We wilden geen stad die in één keer was ontworpen. Er zijn in de loop der eeuwen verschillende ideale steden gebouwd. Die zijn altijd buitengewoon ordelijk van vorm, vaak rond of vierkant. Als er ergens een kans was om zo'n ideale stad te ontwerpen, dan was dat wel hier in de polder, een echte tabula rasa. Maar wij wilden een stad die er niet bedacht uit zou zien. Dat klinkt tegenstrijdig: een stad bedenken die er niet bedacht uitziet. Maar we wilden een stad met verschillen en contrasten, zoals echte steden die hebben.

Probleem was alleen hoe je dat moest aanpakken. De lege polder bood nauwelijks aanknopingspunten. Er was geen context. Natuurlijk had je een dijk en er waren vaarten voor de afwatering. Maar dat was wel erg mager om een nieuwe stad op te baseren. We maakten daarom extra land buiten de dijk om die kaarsrechte kustlijn te doorbreken en tekenden nieuwe plassen binnen de dijk. De technici vonden dat allemaal onzin. We zochten zelfs onder de grond naar context. De loop van de grachten in het eerste deel van Almere, Almere-Haven, is bepaald door de bedding van prehistorische waterlopen die diep onder de holocene klei begraven zandlagen lagen.

De verkeerskundigen in Almere wilden geen rechte straten. Om de snelheid van de auto's die binnen reden te verminderen, maakten ze de straten kronkelig. Hoe dichter bij het centrum, hoe bochtiger. Zo ontstond het grillige karakter van Almere-Haven. Dat kun je achteraf kitscherig vinden en de afkeer van geometrie is hier wel doorgeslagen, vind ik, maar het staat vast dat Almere-Haven nog steeds de populairste kern van Almere is. Mensen wonen er graag en als je hier goed uit eten wilt, kom je al gauw in Almere-Haven terecht.

Het was van begin af aan ook de bedoeling dat Almere een combinatie van stad en landschap zou worden. Een rapport met de titel Verkenningen bepaalde dat er verschillende stadskernen zouden komen, elk met eigen voorzieningen. Maar omdat het ook wel een echte stad moest worden, wilden we wonen, werken en recreëren met elkaar verweven. Vreemd genoeg blijken de mensen dat zelf helemaal niet te willen. Die willen gewoon een rustig huis in een veilige omgeving, zonder bedrijven die grote vrachtwagens aantrekken. En op hun beurt zitten kantoren en bedrijven ook het liefst bij elkaar, en niet in woonwijken. Zo kwam er van de integratie van wonen en werken in Almere steeds minder terecht.

Almere begon als anti-autostad. We waren tegen de dominantie van de auto. Het was tenslotte begin jaren zeventig, en we hadden net grote, rampzalige doorbraken voor snelwegen in de grote steden achter de rug. Zoals de Weesperstraat in Amsterdam. Maar het autootje pesten viel niet vol te houden: de auto houd je nu eenmaal niet tegen. In de jaren tachtig bleek dat bezoekers in Almere zich ergerden aan de moeilijke toegankelijkheid per auto. Dat is niet goed voor een stad. Tien jaar later kreeg het plan voor de Bloemenbuurt in Almere-Buiten alweer gewoon een ringweg.

Maar het openbaar vervoer bleef toch de ruggengraat van de stad en niet het autoverkeer. De opzet was dat negentig procent van de inwoners binnen vijf minuten lopen van een bushalte woont. Dat is wel volgehouden. Door de hele stad lopen vrije busbanen. De cirkels van 400 meter om elke halte hebben het stadsontwerp bepaald. De halfronde vorm van de filmsterrenbuurt in Filmwijk is als het ware een versteende buscirkel.

Nog voor Almere-Haven af was, werd het roer omgegooid. In een stad moet je je makkelijk kunnen oriënteren, maar Almere Haven dreigde een doolhof te worden. Daarom werd het tweede deel, Almere-Stad, ordelijker opgezet. Hier stond ons eerder iets als het Amsterdam-Zuid van Berlage voor ogen. Het rechthoekige raster van de polder werd als uitgangspunt genomen met als toevoeging dat de rechte hoeken werden afgewisseld met diagonalen, hoeken van 45 graden dus. Dit deden we om gunstige ligging van de woonblokken ten opzichte van de zon mogelijk te maken en om het verkeer soepel te laten verlopen. Helaas bleek halverwege de bouw van de tweede kern dat de oriëntatie van de bezoekers er niet beter op geworden was. Door die hoeken van 45 graden wist je niet meer welke kant je nu precies opreed, als je bijvoorbeeld twee hoeken was omgeslagen. Het tweede deel van Almere-Stad is daarom weer anders geworden: het heeft weer het karakter gekregen van een gewone rasterstad. Eigenlijk naar het voorbeeld van de derde kern, Almere-Buiten, die inmiddels op aandringen van de landschapsarchitecten helemaal op basis van het rechte polderlandschap werd ontworpen.

Aan elk deel van Almere werkte steeds een ander team ontwerpers. Zo zijn de verschillen nóg groter geworden. Dat geldt zelfs voor de verschillende wijken. Je hebt bijvoorbeeld de Regenboogbuurt, waar de woningen vaak felle kleuren hebben. Omdat de ontwerper van Almere-Buiten dit wel erg bont vond, heeft de volgende buurt, de Seizoenenbuurt, een ingetogen karakter, misschien wel opzettelijk saai.

Hier golden strikte regels voor de woningen, met als resultaat degelijke rijtjeshuizen, zonder aanstellerij. Een geschrokken politicus heeft de Seizoenenbuurt ooit met een concentratiekamp vergeleken, maar het is nu een van onze mooiste buurten geworden. In reactie op de Seizoenenbuurt kwam vervolgens dan weer de buurt van het Gewilde Wonen, een bonte verzameling woningen en appartemententorens waar alles weer moest kunnen.

Zo is Almere een keten van acties en reacties geworden. Dat was ook de bedoeling, we wilden per se geen stad op basis van een blauwdruk. Dat zou ook niet meer kunnen. Iedere keer als je denkt dat je het gevonden hebt, het ideale plan, de ideale stad, blijkt dat het alweer anders moet. Steeds opnieuw blijkt elke opzet zijn eigen nadelen te hebben. Het beste bestaat niet in de stedenbouw. Dat spoort wel aan tot enige bescheidenheid. Bovendien vinden de bewoners vaak heel andere dingen belangrijk dan ontwerpers denken. Zo hadden we bijvoorbeeld discussies over wat het zwaarst moet wegen: een goede bezonning van de woning of een mooi uitzicht. Bij een project waar de ene helft van de woningen zon had en de andere helft uitzicht, dacht ik: nu kunnen we het aan de belangstelling van de bewoners afmeten. Maar toen ik de beherende corporatie vroeg welke type het best verkocht, vertelde die dat het helemaal niets uitmaakte. Er was een wachtlijst, omdat de huurprijs aantrekkelijk was. Elke vrijkomende flat werd direct gevuld. Hondenpoep, dat is wel een item. Wat de bewoners nu vooral waarderen in Almere, is het landschap, het ruime groen. Een schitterend park ligt voor iedereen op loopafstand en je zit zo in het open polderland.

Nu wordt dan volop gebouwd in het centrum. Op de laatste open plekken daar is het ontwerp van Rem Koolhaas in uitvoering. Die gaat hier de compactheid waar Almere Haven mee begon, als het ware in het kwadraat herhalen. Niet alleen worden winkelen, werken en wonen weer gemengd, maar ook nog eens boven op elkaar gestapeld met daaronder een enorme parkeergarage. Aan de rand van het gebied liggen een bioscoop, een popzaal en een volgend jaar te openen theater. Koolhaas verwacht dat er echt stadsleven ontstaat als je al die ruimtes voor verschillende activiteiten flink op elkaar stapelt en pal naast elkaar zet.

Het is een mooi plan, maar ik betwijfel of die stedelijkheid gaat lukken. Echte stedelijkheid kun je niet ontwerpen. Zelfs in een provinciestad als Haarlem voel je dat je in een stad bent. Maar Almere is nog steeds een voorstad en zal dat voorlopig ook blijven. Dat heeft voor een deel te maken met het uiterlijk. Ondanks al die bedachte verschillen en al die opeenvolgende modes die je in de gebouwen en wijken kunt terugvinden, houden de wijken van de stad toch een zekere monotonie. Dat kan ook niet anders als je in dertig jaar een stad voor 180.000 inwoners bouwt. Maar op de eerste plaats wordt de stedelijkheid bepaald door de samenstelling van de bevolking. Die is nu eenmaal nog eenzijdig in Almere en heel anders dan die van Amsterdam of zelfs van Haarlem. Dat zie je op straat in één oogopslag en dat verander je ook niet zomaar. Het stadsbestuur doet er alles aan en stimuleert werkgelegenheid en bijvoorbeeld de komst van hoger onderwijs, maar dit is en blijft een lang proces.

Ik denk dat Almere blij mag zijn als het over 50 jaar een aardige provinciestad is. Het is de vraag of dat een probleem is. Een Amsterdamse planoloog heeft wel eens gezegd: waarom willen jullie toch zo graag een echte grote stad worden, met een eigen stadscentrum? Zorg gewoon dat mensen er prettig wonen of werken. De randstad ligt om de hoek.''

Wilt u reageren? Stuur uw reactie naar zbrieven@nrc.nl of schrijf het Zaterdags Bijvoegsel, Postbus 8987, 3009 TH Rotterdam