Extra promotieplaatsen zijn verkeerde prioriteit

Minister Van der Hoeven (Onderwijs) wil het aantal wetenschappers fors laten groeien door het creëren van extra promotieplaatsen. Maar dat is alleen zinvol indien eerst de toekomstperspectieven voor jonge gepromoveerde wetenschappers drastisch worden verbeterd. Ten eerste moet de onevenwichtige personeelsopbouw aan de universiteiten hersteld worden. De Vakbond voor de Wetenschap (VAWO) berichtte onlangs dat in de laatste vijf jaar het aantal studenten sterk steeg en het aantal promovendi verdubbelde, terwijl het aantal universitair docenten met bijna 10 procent afnam. Hierdoor blijft er voor de universitair docenten steeds minder tijd over voor onderzoek en promotiebegeleiding. Bovendien is de kans dat een gepromoveerde in de wetenschap kan blijven meer dan gehalveerd.

Ten tweede moet de overheidsfinanciering van de universiteiten verbeteren. Deze ligt al jaren onder het gemiddelde van de OESO-landen. Zolang die basisfinanciering niet structureel verbetert, zijn alle andere maatregelen druppels op een gloeiende plaat. Universiteiten zijn nu vaak niet in staat om jonge talentvolle wetenschappers aan zich te binden.

De realiteit voor jong wetenschappelijk talent staat in schril contrast met de retoriek van dit kabinet. Al jaren wordt jonge wetenschappers voorgespiegeld dat zij hard nodig zullen zijn om de pensioneringsgolf op te vangen. Maar in realiteit worden de banen van gepensioneerde wetenschappers vaak geschrapt. Er is te weinig toekomstperspectief voor jonge wetenschappers, en dat gaat op termijn ten koste van de kwaliteit van het universitair onderzoek en onderwijs. Het aantal promotieplaatsen nog verder uitbreiden is dus een verkeerde prioriteit van een ondoordacht wetenschapsbeleid.