De krant antwoordt

Het is altijd moeilijk om journalist `in eigen zaak' te zijn, zo blijkt maar weer. Daarom enige nadere toelichting op de terugkeer van J.A.A. van Doorn in de krant. De reden daarvoor is gelegen in de rol die hij speelt in het publieke debat, onder meer door zijn bijdragen in Trouw, HP/De Tijd en elders. Het initiatief lag bij de redactie, in het bijzonder bij die van de opiniepagina, altijd op zoek naar jong en oud talent. Dus raakten we in gesprek en begrepen we dat de krant hier nog iets goed te maken had. Dat hebben we vorige week gedaan met een paar regels, waarmee de zaak onderling werd rechtgezet. Maar als communicatie met de lezer schoot het inderdaad nogal tekort.

Kort samengevat ging het hierover. In 1990 publiceerde de krant een column van J.A.A. van Doorn over het gekleurde beeld van Israël in de media dat mede zou worden veroorzaakt door zelfcensuur van joodse buitenlandse correspondenten. Daarop ontstond beroering over de vraag of de columnist `de' joodse journalisten over één kam schoor. In een vervolgstuk schreef Van Doorn dat hij niet bedoelde te generaliseren en dat hij dat misverstand betreurde. Maar hij hield zijn stelling overeind dat de persvrijheid werd bedreigd. Daarop liet de hoofdredactie in een mededeling weten dat hij de `grenzen van de betamelijkheid' had overschreden in `formulering en toonzetting'. Van Doorn zegde zijn medewerking op en verhuisde naar HP/De Tijd. Daar begon hij een column die, vrij terzake, `Betamelijkheden' ging heten.

De toenmalige hoofdredacteur gaf zes jaar later in een terugblik aan, deze kwestie verkeerd te hebben aangepakt. De columnist was beschadigd, evenals de krant, waarin men kennelijk toch niet alles kon schrijven wat men belangrijk vond. Immers, wat is betamelijk? En hoe verdraagt zich het motto lux et libertas met de vrijheid van de columnist?

Daarmee kom ik op de brieven over Hasna El Maroudi. Daar doet zich iets soortgelijks voor. Mag of moet de krant een columnist tegen zichzelf in bescherming nemen? Aangezien El Maroudi zich gedwongen voelde haar column te staken wegens een maanden aanhoudende golf agressieve reacties, ben ik geneigd daar mét de briefschrijver achteraf `ja' op te zeggen. Haatmail en fysieke bedreigingen die uiteindelijk een column smoren, zijn een nederlaag.

De redactie heeft een zorgplicht we laten haar ook nu niet aan haar lot over. Er is niks op tegen om tevoren met een medewerker de risico's te bespreken van eventuele reacties. De `formulering en toonzetting' van haar column gaven daar ook aanleiding toe. Het is achteraf duidelijk dat ook wij de risico's niet goed hebben getaxeerd. Dat nemen we onszelf kwalijk. Tegelijk willen we al onze columnisten wel de vrijheid bieden te schrijven wat ze willen. De krant wil per se een klimaat bieden waarin die vrijheid vanzelfsprekend is. `Matigen' is dan niet onze eerste reflex.

Een eenduidige conclusie over wat er nu wel zou moeten kunnen en wat niet, is niet makkelijk te trekken. Ook in deze kwestie geldt dat wat voor de een onbetamelijk is, voor de ander juist onschuldig. Of het nu over `de' joodse journalisten gaat of over `de' Berbers. Juist columns brengen dat aan het licht. Die vrijheid moet dan ook beschermd worden.

nieuwe kwesties: lezerschrijft@nrc.nl