Concurrentie en bescheidenheid

De laatste tijd heb ik er herhaaldelijk op gewezen dat in veel gebieden ouders weinig of niets te kiezen hebben, waar het gaat om de keuze van een school voor voortgezet onderwijs. Dat ouders dat wel kunnen is om twee redenen wenselijk. In de eerste plaats omdat zij beter dan wie ook weten welke school het beste is voor hun kinderen. In de tweede plaats omdat concurrentie tussen onderwijsinstellingen bevorderlijk is voor de kwaliteit.

Niet iedereen is het daar mee eens. Veel scholen, en trouwens ook veel politici, menen dat ouders niet goed kiezen omdat ze vaak te hoog grijpen, ten onrechte menen dat hun uil een valk is. Dat zal wel. Maar ik krijg juist vaak mails van mensen die ontzettend blij zijn dat hun ouders indertijd het achteraf gezien te lage advies van cito of basisschool naast zich hebben neergelegd. Het is trouwens ook volstrekt onzinnig te menen dat schoolsucces op die leeftijd betrouwbaar te voorspellen valt. Dat geldt alleen de uitersten, maar het gros van de leerlingen zit rond het gemiddelde en die kunnen nog alle kanten op en welke kant dat uiteindelijk wordt hangt in hoge mate af van het al dan niet stimulerende klimaat bij de leerlingen thuis. Dat er voor ouders wat te kiezen valt, is bovendien van belang omdat zelfstandige scholen een eigen karakter ontwikkelen. Iedereen kent voorbeelden van leerlingen die ongelukkig waren op de ene school om vervolgens elders op te bloeien.

Ook blijkt niet iedereen het eens te zijn met mijn opvatting dat concurrentie bevorderlijk is voor de kwaliteit. Kijk maar, mailt een lezer mij, hoe scholen zich op open dagen uitsloven door te laten zien hoe leuk en gezellig het er toegaat. Dat zal wel, maar dat neemt niet weg dat ouders uiteindelijk kiezen voor kwalitatief goed onderwijs. In Amsterdam kunnen de als goed bekend staande scholen de toeloop al jaren niet meer aan en is er dit jaar een vierde zelfstandig gymnasium van start gegaan. Vergelijkbare ontwikkelingen zien we in veel andere steden.

En nu komt de Onderwijsraad met het advies aan de minister om fusies te toetsen op dezelfde manier als de Nma, de Nederlandse Mededingingsautoriteit, dat pleegt te doen, want, aldus de raad, `fusies tussen onderwijsinstellingen in een bepaald gebied leiden soms tot een ongewenste inperking van de keuzevrijheid'.

Voor dit advies geldt helaas hetzelfde als voor zo veel goede adviezen: het komt te laat. U denkt natuurlijk: beter ten halve gekeerd, maar dat gaat hier niet op, want wat de fusies betreft zijn we al lang ten hele gedwaald. Dat geldt ook voor de volgende overweging van de Onderwijsraad: `Grootschaligheid heeft ook een cultureel aspect. De Onderwijsraad is van mening dat het bestuur en management in alle onderwijssectoren moet uitstralen dat het in dienst staat van het primair proces van leren en onderwijzen. Daarbij past een cultuur van bescheidenheid.' Ook hier is de Raad rijkelijk laat mee. Veel onderwijsbestuurders zijn de bescheidenheid al lang voorbij. Die luisteren liever naar een type als Rinnooy Kan die onderwijsbestuurders juist publiekelijk aanmoedigt in alle onbescheidenheid hun zakken te vullen en daarbij niet te aarzelen om zonodig van hinderlijke CAO-bepalingen af te wijken. Van die bestuurders valt niet te verwachten dat ze vrijwillig kleiner groeien om vervolgens genoegen te nemen met een fatsoenlijk directeurssalaris. Conclusie: de enige mogelijkheid om de concurrentie te herstellen, is het ondersteunen van initiatieven om nieuwe scholen op te richten.

lgm.prick@worldonline.nl