Zonder engelen is er hoop

`,,Wat scheelt eraan, Monika?'', vraagt de therapeut.

,,Ik heb geen zin om te leven'', zegt zijn patiënte zonder hem aan te kijken.

,,Dat gaat weer over. We zullen het er binnenkort over hebben.'''

Van hedendaagse Oost-Europese schrijvers wordt gauw verwacht dat hun werk in het teken staat van de politiek. Maar Geen heiligen, geen engelen, de nieuwe roman van Tsjechische schrijver Ivan Klíma, is geen politieke parabel. Tegen de achtergrond van het postcommunistische Praag – dat weer wel – speelt zich een veel breder verhaal af, van schuld, bedrog, vervreemding, hoop en de zoektocht naar elkaar. Het zijn de thema's die Klíma zijn leven lang hebben beziggehouden.

Net als de door hem bewonderde schrijver Karel Capek, kiest Klíma geen partij voor één van zijn hoofdpersonen, maar biedt hij de lezer verschillende perspectieven. Kristna, Jan en Jana vormen in deze roman een wankele driehoek: ze zijn nauw met elkaar verbonden en tegelijkertijd leven ze langs elkaar heen. Een voor een laat Klíma ze aan het woord waardoor de gebeurtenissen telkens vanuit een andere invalshoek worden weergegeven.

`Je leeft, zolang je iets verwacht', zegt Kristna, de 45-jarige tandarts die alle verwachtingen heeft laten varen. Haar overspelige ex-echtgenoot (`Twaalf jaar lang ben ik gehoorzaam opgestaan en de weg gegaan die hij wees') ligt op sterven. Dochter Jana zit `onder de drugs', hoewel iedereen dat lijkt te beseffen behalve Kristna zelf.

Haar pas overleden vader blijkt tijdens het communistische bewind een duistere rol te hebben gespeeld. De dood van haar joodse oma, jaren geleden in een concentratiekamp, begint nu te knagen, `Een schuldgevoel bedrukte me dat ik rustig mijn leven leefde, dat niemand mij wilde ombrengen.' De dagen slepen zich voort, ze `boort in andermans bekken' en stelt grote, eenzame vragen: `Wat wordt er van mensen die hun hele leven bang zijn voor hun eigen mening uit te komen?', `Waarom sterven goede mensen zo jong terwijl schurken de wereld maar niet willen verlaten?', `Was iemand in staat zich de toekomst voor te stellen?' `Wie van ons weet waar we voor leven?' Dit alles is omhuld in sigarettenrook en drank met nu en dan een scheutje ironie.

Kristna mijmert onophoudelijk over het bestaan, maar sluit haar ogen voor de crisis waarin haar eigen kind verkeert. Ze kan haar moeilijk helpen, ze is zelf ook de weg kwijt. Het oude politieke systeem, dat toch een zekere orde met zich meebracht, is weggevallen. En godsdienst – ach, wij leven zo kort dat God ons over het hoofd ziet. De kans is groot dat hij niet eens bestaat. Zonder God, geen engelen, geen heiligen. Ook geen aardse heiligen: `Het kwam me voor dat in onze stad, net als in Sodom, geen tien rechtvaardige zielen te vinden waren', zucht Jan, die zijn leven wijdt aan het opsporen en alsnog terechtstellen van vroegere misdadigers. Wat de rest van de mensheid betreft: de enigen die ons onze schulden kunnen vergeven zijn wij zelf en degenen die ons liefhebben.

Maar Kristna kan de mensen niet los zien van hun daden. Mannen zijn bedriegers en als ze het nog niet zijn dan zullen ze het wel worden. Als de veel jongere Jan op het toneel verschijnt met liefdesverklaringen en bosjes rozen, weet Kristna bij voorbaat al dat het hopeloos is: hij zal haar uiteindelijk toch verlaten. Wat zij niet beseft is dat hij er even pessimistisch tegenover staat: `Op een dag raak ik haar kwijt. Net als al het andere in mijn leven zal ik mijn liefde niet tot een goed einde weten te brengen.' Ze hebben als het ware dezelfde overlevingsstrategie: `Leven kun je eigenlijk alleen zo dat je datgene wat je niet aanstaat, dat wat je aan de mensen en de wereld zou moeten verontrusten, niet tot je toelaat.'

Het is ook niet eenvoudig om vertrouwen te hebben als er zoveel verzwegen wordt. `We kennen elkaar nauwelijks,' zegt de zuster van Kristna tegen haar, `We hebben elk onze eigen zorgen en dan spelen we elkaar nog wat voor.' De enige die ze vertrouwt is iemand die ze letterlijk niet kent: de schrijver van de ongetekende dreigbrieven die ze de laatste tijd regelmatig ontvangt. Een ander zou al lang de politie hebben gewaarschuwd, maar Kristna niet: `Mijn anoniem kon weleens de enige zijn die me trouw is.'

Van de drie hoofdpersonen in Geen heiligen, geen engelen is Kristna's dochter Jana degene die het minst overtuigt. In scènes tussen moeder en dochter is de spanning wel voelbaar, maar daarbuiten wekt deze teenager from hell weinig sympathie. Ze gaat snuivend, spuitend, vloekend en vrijend door het boek en als ze eenmaal in een verslavingskliniek belandt is ze wel erg snel `genezen'. Toch is het Jana die uiteindelijk de drie vervreemdelingen een gezamenlijk doel zal geven: het redden van haar leven.

`Een driehoek is een gesloten figuur die ontstaat door drie niet op één lijn gelegen punten door lijnen te verbinden,' heeft Jana ooit op een velletje papier geschreven. Kristna ziet het toevallig liggen en denkt, `Het is geen boodschap aan mij. Of misschien wel.' Of het is een boodschap van de schrijver zelf, aan ons: zolang we elkaar weten te vinden is er hoop, ook zonder engelen.

Ivan Klíma: Geen heiligen, geen engelen. Vertaald uit het Tsjechisch door Irma Pieper. Wereldbibliotheek, 287 blz. €17,90