What does open kaart mean?

Toneelschrijver en Nobelprijswinnaar Harold Pinter probeerde zijn `dreigingskomedies' in Nederland uit. ,,We mochten het geen première noemen, want die was later in Londen.''

'De Engelsen vonden Pinter vooral: `silly, but what is it all about?' De Nederlanders stonden meer open voor het onbestemde, dreigende van Pinter'', zegt Carel Alphenaar. ,,Er werd hier ook veel minder gelachen om zijn stukken, hoewel ze natuurlijk heel geestig zijn.''

Alphenaar, voormalig dramaturg van Toneelgroep Centrum, legt uit waarom de Britse toneelschrijver Harold Pinter (1930), die gisteren werd bekroond met de Nobelprijs voor Literatuur, zo'n speciale band heeft met het Nederlandse theater. Twee toneelstukken van hem, Een soort van Alaska (1982) en Ashes to Ashes (1996), liet Pinter in Amsterdam in première gaan, voordat hij ze in Londen durfde te tonen. En zijn eerste avondvullende stuk Het verjaardagsfeest (1958) werd in Nederland een succes nadat het in Londen gekraakt was.

,,Dramaturg Hans Roduin van toneelgroep Centrum heeft Pinter voor Nederland ontdekt'', zegt Alphenaar, ,,maar het duurde zó lang voordat hij de artistieke leiding had overtuigd van het belang van Pinter, dat Eindhoven eerder was.''

Zodoende werd de eerste avondvullende Pinter in Nederland, De huisbewaarder, niet bij Centrum, maar bij het Eindhovense toneelgezelschap Ensemble opgevoerd, in oktober 1960, een half jaar na de première in Londen. Vol trots werd de voorstelling zelfs aangekondigd als `de continentale première'. Ensemble boekte er een sensationeel succes mee, dat mede werd veroorzaakt door Guus Hermus in de hoofdrol van de zwerver die zich nestelt in het huishouden van twee broers. `Deze egoïstische monomaan, dit versjofelde restant van menselijke waardigheid, toonde hij met een intense menselijkheid, de rol opvoerend tot tragische verlatenheid', schreef toneelrecensent Ben Stroman destijds in het Algemeen Handelsblad. Ook voor Henk van Ulsen en Maxim Hamel, als de beide broers die door de huisbewaarder werden getiranniseerd, was niets dan lof. Voorts maakte de criticus geestdriftig melding van `de straffe, krachtig klinkende vertaling van Gerard K. van het Reve' en de regie van Karl Guttman, die `een zeer juiste dosering van temperament en klank' vertoonde.

Stroman vond het echter wel passend zijn lezers ook te waarschuwen voor het ontluisterende karakter van Pinters werk. `Het zal de vraag zijn hoe lang dit soort stukken levensvatbaarheid houden, maar voor het ogenblik bereiden zij de toeschouwers een schok', schreef hij. `Zij woelen een braakliggende akker om. Wellicht, dat Harold Pinter of een die na hem komt, nog eens gaat ploegen en zaaien.'

Zelf vond Pinter deze versie van De huisbewaarder de beste die hij ooit had gezien, verklaarde hij twee jaar later, tijdens een bezoek aan Amsterdam, tegenover de Nederlandse pers. ,,Omdat hier een werkelijkheid voelbaar was, levende, omschreven mensen op het toneel stonden. In mijn stukken is geen plaats voor pathos, en de ogenschijnlijk vreemde mensen mogen geen karikaturen of allegorieën worden. Als het menselijk herkennen onmogelijk is, zijn de vertolkers op de verkeerde weg.''

De schrijver kwam hier in 1962 naar aanleiding van de Nederlandse première van The Birthday Party door toneelgroep Centrum, die met aanmerkelijk minder ophef gepaard ging. Pinter liet nog wel `een universeel bestaande doelloosheid' zien, aldus de met P.J. ondertekende recensie in het Algemeen Handelsblad, maar in technisch opzicht mankeerde er van alles aan dit stuk: `Volgend werk zal moeten uitwijzen of Pinter met zijn ``oefeningen in wanhoop'' (zoals zijn oeuvre wel is gekenschetst) inderdaad in een dramatisch doodlopend slop is terechtgekomen.' Wel waren er complimenten voor regisseur Walter Kous en de hoofdrolspeler Sarah Heyblom, die met deze rol haar vijftigjarig toneeljubileum vierde, en voor de `uitstekende vertaling' van Van het Reve.

,,Die vertalingen van Reve waren onspeelbaar en ver van Pinter afgedwaald'', zegt Alphenaar nu, ,,de uitgedroogde zinnen van Pinter waren door Reve te vrolijk opgesierd. Dat hebben we later allemaal moeten overdoen.''

Pinter was zo ingenomen met de Nederlandse opvoeringen dat hij Centrum het alleenrecht gaf op de premières van zijn stukken voor Nederland en koloniën. Het verjaardagsfeest in 1962 was de eerste Pinter die Alphenaar zag, samen met zijn vriend Ischa Meijer: ,,We waren meteen verkocht. En nog vind ik hem de grootste levende toneelschrijver. Er is geen schrijver die zoveel existentiële nagalm heeft als Pinter. Comedies of menace werden zijn stukken genoemd; dreigingskomedies. Ze drukken een vreselijke levensangst uit, de angst om buiten te komen. Daarom zit iedereen bij elkaar in die huiskamers.'' Volgens Alphenaar pasten de stukken van Pinter perfect bij de tijdsgeest: ,,Het levensgevoel was dreiging; de Koude Oorlog, iedereen was bang dat de Russen en Chinezen zouden komen. Die angst werd nog extra aangewakkerd door de autoriteiten.''

Gedurende de jaren zeventig en tachtig bleef Centrum, gespecialiseerd in nieuw repertoire, de laatste Pinters opvoeren. Alphenaar: ,,Pinter had een omstrengelende relatie met Centrum. Voor ons was hij hoe dan ook de belangrijkste schrijver. In zijn kielzog hebben we ook een hele reeks Britse kitchen sinkers als John Osborne ontdekt. Daarom zijn we in 1969 door de revolutionairen van Aktie Tomaat ook gespaard: we waren altijd al modern.''

Een soort van Alaska (1982), gebaseerd op Awakenings van Oliver Sacks, liet Pinter in Nederland in première gaan. Alphenaar: ,,We mochten het geen première noemen, want die was later in Londen. Dus heette de hele reeks try-outs. Dat waren het ook voor Pinter. Hij wilde in de luwte eens kijken wat zijn stuk deed op het toneel.''

Als dramaturg en vertaler leerde Alphenaar Pinter en zijn tweede vrouw, lady Antonia Fraser, persoonlijk kennen: ,,In 1984 zocht ik ze op in het Amstel Hotel waar ze een suite hadden. Wat dat betreft: financieel hebben ze die Nobelprijs niet nodig. Zijn vrouw is de dochter van de zevende graaf van Longford, en zelf schrijfster en biografe – een soort Britse Hella Haasse die miljoenen verdient met haar boeken. Ik haalde ze op voor de première van Eentje nog, maar ze waren vergeten om een Engelse kopie mee te nemen. Dus hadden ze zo'n kamerjongen van het hotel gevraagd om de Nederlandse tekst zin voor zin terug te vertalen. Dat had die jongen heel accuraat gedaan. Hij wist alleen `open kaart spelen' niet te vertalen. Dus vroeg Pinter me: ,,Mr. Alphenaar, what does open kaart mean?''

Met Eentje nog sloeg Pinter een nieuwe richting in: die van het uitgesproken politieke theater. De onbestemde dreiging die in al zijn werk aanwezig is, wordt in deze allegorieën over onderdrukking expliciet en politiek gekleurd. In 1985 bezocht Pinter met Arthur Miller Turkije en kwam daar in contact met vervolgde dissidenten. Op een receptie van de Amerikaanse ambassade hield hij zich niet aan de gebruikelijke veilige borrelpraat, maar begon op verontwaardigde toon over het martelen van politieke gevangenen, met name over het aansluiten van Koerdische testikels op het Turkse lichtnet. Pinter werd de ambassade uitgegooid, gevolgd door Miller.

Een en ander leidde tot het schrijven van het toneelpamflet Bergtaal (1988), een stuk van hooguit 25 minuten over een paar vrouwen die een gevangene bezoeken. Het wordt hun verboden om hun eigen taal, bergtaal, te spreken. Pinter stelde met dit stuk concreet de onderdrukking van de Koerden in Turkije aan de kaak.

Toen Centrum in 1987 opging in het nieuwe gezelschap Toneelgroep Amsterdam, werd de Pinter-erfenis meegenomen. Dramaturge Janine Brogt kreeg Bergtaal onder ogen: ,,Toendertijd stond de krant vol met de Koerdische kwestie, dus we dachtem: waarom wachten, laten we het meteen opvoeren. Het is toen als een soort toegift gespeeld na Medea, in de regie van Titus Muizelaar.''

Buiten zijn drama was Pinter al jaren politiek uitgesproken, tegen dictaturen, schendingen van de mensenrechten, tegen de oorlog. Nu kwam dit engagement ook expliciet zijn werk binnen. Niet iedereen kon dit waarderen. Pinters meerduidige vraagtekens waren ineens eenduidige uitroeptekens geworden. Naar aanleiding van de eerste Golfoorlog (1990-'91) schreef hij Party Time en De nieuwe wereldorde. Toneelgroep Amsterdam voerde ze, samen met Bergtaal, op als triple bill. Brogt: ,,De opvoering van Een nieuwe wereldorde was een foutje. We zouden alleen Party Time opvoeren, maar Pinters agent had dit per ongeluk mee gefaxt. Pinter had het als sketch geschreven, om de oorlog in Irak te hekelen, hij had het niet bedoeld voor opvoering.''

Hierna volgden nog Maanlicht en Ashes to Ashes, twee avondvullende en meer volwaardige stukken, ook in de regie van Titus Muizelaar. Ashes to Ashes ging net als Een soort Alaska eerder in Amsterdam in première dan in Londen. Brogt: ,,We mochten het alleen als `besloten voorstelling' spelen, als sneak preview. Pinter zou het later zelf regisseren in Londen. Hij was nog zenuwachtiger dan de spelers, de regisseur en ik.''

Ashes to Ashes werd veel beter ontvangen dan de drie pamfletstukken. De recensent van NRC Handelsblad schreef: `Van de eenduidigheid die Pinters jongste politieke drama's ontsierde is in dit korte stuk niets meer over. De politiek is het privé-leven binnengeslopen en in die baaierd van emoties zijn macht en machteloosheid heilloos met elkaar verstrengeld.'

Brogt: ,,Uit Ashes to Ashes blijkt dat er in wezen niet zoveel verschil is met zijn eerdere werk. Er wordt explicieter over martelingen en onderdrukking gesproken, maar de kern is toch: de ene partner die de andere probeert te benaderen, te beheersen via diens herinneringen. De politieke laag zat altijd al in zijn werk. Zijn eerste grote stuk, Het verjaardagsfeest, is terugkijkend ook een zeer politiek stuk, met twee indringers die een schlemiel aan een verhoormethode à la Abu Ghraib onderwerpen.''

Wat voerde Pinter steeds weer naar Amsterdam? Brogt: ,,Ik denk dat hij hield van de combinatie van zorgvuldigheid en avontuurlijkheid van Toneelgroep Amsterdam. Ik denk dat de Nederlandse speeltraditie beter past bij Pinters werk. De Britten hangen nog steeds erg aan het realisme, met de prestaties van de acteur in het middelpunt. Ashes to Ashes was bijvoorbeeld in de Londense uitvoering veel meer een wedstrijd tussen een man en een vrouw. Staat het 1-0 voor hem, of voor haar? Bij ons speelden de acteurs, Pierre Bokma en Lineke Rijxman, samen.''

Terwijl zijn politieke werk nog voor controverses zorgde, kwamen Pinters klassiekers steeds meer in de mainstream terecht. Het Nationale Toneel speelde onlangs nog Niemandsland (1975) als afscheidsvoorstelling van Lou Landré, en Toneelgroep Amsterdam bracht het overspeldrama Bedrog (1978). Uitstekend gespeelde voorstellingen, maar wel ontzettend netjes. De dreiging was er behoorlijk afgepoetst. Net als in Engeland en Amerika werden hier zijn klassiekers ook gebruikt om bekende acteurs te laten schitteren. Huub Stapel, Rijk de Gooijer en Olga Zuiderhoek speelden al eens De thuiskomst (1965) als weinig subtiele komedie, en onlangs diende De huisbewaarder nog als vehikel voor de oude meesterkomediant Johnny Kraaijkamp. Kees van Kooten en Wim de Bie (geen mainstream, wel komieken) mogen ook niet onvermeld blijven. Op 23 december 1976 speelden zij in plat Haags een tv-versie van De dienstlift (The Dumb Waiter), als onderdeel van een avondvullende uitzending van hun Simplisties Verbond.

Met medewerking van Henk van Gelder