Van alle markten thuis

Iedere meer of minder incidentele lezeres van vrouwenbladen (Libelle, Flair, Viva, Opzij) is vertrouwd met de zogeheten dieptereportage over het huisvrouwenbestaan. In dit type reportage wordt betoogd, vaak door ervaringsdeskundigen, dat het huisvrouwenbestaan lang niet zo geestdodend is als buitenstaanders wel denken. Weinig beroepen bieden zoveel afwisseling. Een huisvrouw is, als het een beetje meezit, een interieurverzorgster, die zorgt dat het er thuis fris en gezellig uitziet. Daar komen creatieve talenten aan te pas: bloemschikken, oude meubels opnieuw bekleden, tafeltjes lakken en gordijnen naaien. Daarnaast is de huisvrouw een kok, die elke dag een gezonde, smakelijke maaltijd in elkaar draait. De huisvrouw-moeder is uiteraard ook kinderverzorgster: zij voedt haar eigen kinderen op en houdt en passant het oog op meegebrachte vriendjes, neefjes, nichtjes en buurkinderen. Bij conflicten tussen de kinderen treedt zij op als rechter of politieagent. De huisvrouw-moeder is voorts een verdienstelijk taxichauffeur die haar eigen en andermans kinderen vervoert naar belendende dorpen waar uitwedstrijden moeten worden gespeeld. Zij is een onmisbare klassenassistent in het basisonderwijs, waar zij dienst doet als klasse-ouder, leesmoeder, luizenmoeder, computermoeder, schminkmoeder en mediatheekouder. Bij al deze zaken beheert de huisvrouw haar eigen budget, zonder hulp van een accountant. Iemand die al deze vaardigheden in één persoon verenigt, die al deze klusjes in één werkweek weet te klaren, is haast vanzelf al een manager.

Na deze uiteenzetting kan de reportage, afhankelijk van de voorkeur van de schrijfster of de redactionele visie van het damesblad, leiden tot heel verschillende conclusies. De schrijfster kan constateren dat het te gek voor woorden is dat vrouwen een geestdodend bestaan als caissière of boekhouder verkiezen boven het veelzijdige huisvrouwenleven. Zij kan ook betogen dat het bizar is dat een zo complex beroep als dat van huisvrouw niet leidt tot enige materiële beloning en pleiten voor een huisvrouwensalaris. Zij kan aanvoeren dat vrouwen die de arbeidsmarkt enige jaren verlaten om voor hun kinderen te zorgen, bij terugkeer naar die arbeidsmarkt adequaat moeten worden ingeschaald: zij hebben in die tijd immers niet ingeboet aan expertise, zij hebben levenservaring en managementvaardigheden opgedaan en zij behoren dus even hoog te worden ingeschaald als hun mannelijke collega's, die in de tijd dat hun kinderen klein waren gewoon bleven werken. Of ze kan aanvoeren dat werkgevers kortzichtig zijn, als zij een werkneemster met de juiste vooropleiding en relevante werkervaring prefereren boven een ex-huisvrouw die van alle markten thuis is.

Dit laatste pleidooi neem eens een (gewezen) huisvrouw in plaats van een boekhouder, manager, binnenhuisarchitect, politieagent of kokkin! wordt zelden serieus genomen, behalve als het gaat om functies in de zorg, of op de grens van zorg en onderwijs. Bij een voorzienbaar tekort aan arbeidskrachten in de thuiszorg of de kinderopvang komt de vrouwenbladenwijsheid op gezette tijden in volle hevigheid naar boven: Natuurlijk! We kunnen huisvrouwen (bijstandsmoeders) inzetten om voor- en naschoolse opvang te verzorgen of ziekelijke bejaarden een handje te helpen.

Ik heb erover nagedacht hoe dat nu komt. Waarom betoogt geen politicus ooit dat we voor vacante functies in het management of bij de politie eens moeten gaan kijken in het contingent bijstandsmoeders, die het vast veel goedkoper doen dan al die echte managers en waarom gebeurt dat bij de kinderopvang en de thuiszorg wel?

In feministisch onderzoek wordt soms gesuggereerd dat dit te maken heeft met het feit dat banen in de zorg typische vrouwenfuncties zijn waar mensen een beetje op neerkijken en waar (dus) geen speciale expertise voor nodig is.

Volgens mij ligt het net een beetje sympathieker. Veel mensen denken terecht dat het in de zorg en in de kinderopvang belangrijk is dat werknemers lief en empathisch zijn, zij nemen aan dat thuismoeders die kwaliteiten in hoge mate bezitten en dat zij dus zonder problemen in de zorg of de opvang aan de slag kunnen.

Hier wordt echter aan twee kanten een denkfout gemaakt. Ten eerste is empathie in de naschoolse opvang niet genoeg. Kinderen in de basisschoolleeftijd willen niet knuffelen met hun leidster; knuffelen doen zij liever met hun eigen ouders. Zij willen dat de leidster knutselwerken helpt maken, toneelvoorstellingen verzint, kostuums in elkaar draait en met hen naar het bos gaat om levend stratego te spelen. Ten tweede is de gemiddelde huismoeder, net als de gemiddelde werkende ouder, waarschijnlijk selectief empathisch en als ouder kan zij zich dat veroorloven. Als haar kinderen vriendschap sluiten met onaangename klasgenootjes, kan zij het doorgaans wel zo plooien dat zij over die ongewenste vriendjes niet al te vaak hoeft te moederen (`Nee schat, vandaag kan Jacob-Geert niet met ons mee; wij zouden immers op bezoek gaan bij tante Anneke?').

Kinderleidsters in de naschoolse opvang hebben die luxe niet. Empathie is voor hen een professionele vaardigheid die zij ook moeten kunnen inzetten voor kinderen die strikt genomen etterbakjes zijn. Er zijn vast wel enkele huisvrouwen die van nature professioneel empathisch zijn en zich kunnen meten met kinderleidsters, maar de meeste mensen hebben hier training en opleiding voor nodig.