Troosteloos in de moderne wereld

De Italiaanse schrijver Roberto Calasso richt zich in zijn nieuwe boek op het hervertellen van enkele romans van Franz Kafka. Dat doet hij in zinnen waardoor je hem zijn duisternis vergeeft.

Noodzakelijk kan een nieuw boek over Franz Kafka moeilijk genoemd worden (er bestaat al een kleine bibliotheek over hem), maar waarom zouden we zo'n boek niet verwelkomen, als het goed is gedaan? Kafka's werk is raadselachtig genoeg, en hoewel godzijdank op definitieve oplossingen niet hoeft te worden gerekend, kunnen nieuwe interpretaties altijd stimulerend werken.

Nu krijg ik niet de indruk dat Roberto Calasso met K., in fonkelend Nederlands vertaald door Els van der Pluijm, allereerst een nieuwe interpretatie heeft willen geven, en al helemaal geen `alomvattende'. In zijn boek worden zulke interpretaties, hoe verdraagzaam en ruimdenkend ze ook mogen zijn, niet voor niets `breedsprakig en opdringerig' genoemd.

Calasso lijkt het eerder eens te zijn met Elias Canetti, van wie hij de uitspraak citeert dat elke uitspraak die iemand zich over een volkomen authentiek auteur als Kafka permitteert `een barbaarse indruk kan maken. [...] Daarom moeten we ons, op het gevaar af onvrij te lijken, zo getrouw mogelijk aan zijn eigen uitspraken houden'. In hetzelfde licht zie ik de uitspraak van Calasso zelf: `Kafka is niet te begrijpen wanneer hij niet letterlijk wordt genomen'.

Dat zou de mogelijkheden tot interpretatie inderdaad aanzienlijk verkleinen, ware het niet dat Calasso eraan toevoegt dat deze letterlijkheid `in al haar zeggingskracht, met haar hele scala aan implicaties' moet worden opgevat. Wat hij met de ene hand neemt, geeft hij met de andere dus weer een beetje terug. Hoe kun je ook een boek over een auteur en diens oeuvre schrijven zonder te interpreteren?

Het minste wat je van Calasso moet zeggen is dat hij het heeft geprobeerd. Wat hij in K. doet, lijkt nog het meest op wat hij al eerder met de Griekse mythen (De bruiloft van Cadmus en Harmonia) en de Indiase mythologie en religie (Ka) heeft gedaan: hij waagt zich aan een hervertelling, zij het niet van alles wat Kafka heeft geschreven. Alleen de drie romans en enkele bekende verhalen komen aan bod, naast brieven en dagboekfragmenten.

Zo'n hervertelling heeft het voordeel dat de specifieke kracht en kwaliteit van Kafka niet in de verdrukking komt, terwijl Calasso er toch een ander licht op laat schijnen. Onvermijdelijk sluipt zo de nodige interpretatie in de tekst, maar wat is daar eigenlijk tegen? Problematisch wordt het pas als door duiding, kritiek en commentaar de tekst zelf uit het zicht dreigt te verdwijnen.

Daar hoeft niemand bij Calasso bang voor te zijn; hij gaat juist uitvoerig in op de tekst en heeft een scherp oog voor verrassende aspecten, zoals de rol van de vrouwen in Het slot en die van het ontwaken in Het proces. En nadat Calasso uitdrukkelijk heeft gezegd dat geen verhaal van Kafka `elk commentaar zo drastisch (ontmoedigt) als De gedaanteverwisseling', lezen we even verderop dat het een verhaal is `over deuren die open en dicht gaan'. Wie op zulke details de nadruk legt, kan in elk geval niet verweten worden dat hij de schrijver niet letterlijk neemt.

Maar Calasso doet ook nog iets anders. Hij relateert Kafka's teksten voortdurend aan figuren en begrippen uit vooral de Indiase mythologie. Kennelijk was de stof van Ka nog paraat in het geheugen. Een nadeel is dat dat ook bij de lezer het geval moet zijn; anders is het bijvoorbeeld niet zo verhelderend wanneer Calasso Kafka's wereld (`een grote brij, een en al potentie') vergelijkt met `het vormloze lichaam van Vrta, die de wateren in bedwang houdt voordat Indra ze met zijn bliksem doorklieft'. Geen idee wie of wat Vrta is, en zelfs het glossarium bij Ka biedt in dit geval geen uitkomst.

Wat zo wél duidelijk wordt is de relatie van Kafka's literaire wereld met de mythologie. Een andere, verwante associatie is die met de goden, ook al schrijft Kafka daar zelf zelden over. Net als in zijn essaybundel De literatuur en de goden ontkent Calasso in K. dat het religieuze, het heilige of het goddelijke in de moderne tijd zou zijn verdwenen. Integendeel, deze drie zijn juist `door een geheimzinnig osmotisch proces geabsorbeerd en opgegaan in iets vreemds dat er niet langer behoefte aan heeft ze te benoemen, omdat het zichzelf genoeg is en er genoegen mee neemt te worden omschreven als maatschappij'.

Calasso's suggestie is dat de gevolgen van dit geheimzinnige proces bij uitstek worden verbeeld in Kafka's werk. De `maatschappij' van zijn romans en verhalen is even mysterieus en schrikwekkend als ooit het goddelijke en het heilige. De `onttovering van de wereld' (Max Weber) is dus maar schijn – dat laat Kafka ons zien vanuit de positie van de buitenstaander of (zoals in Het proces) vanuit de positie van iemand die plotseling op brute wijze `ontwaakt' en tot buitenstaander wordt gebombardeerd, doordat een schimmige, in kasten en op zolders verborgen rechtbank hem in staat van beschuldiging stelt.

Dat Calasso dit zelfde buitenstaanderschap verbindt met het geassimileerde jodendom, is waarschijnlijk niet onjuist (Kafka was tenslotte een geassimileerde jood), maar het lijkt me wél een schoolvoorbeeld van een interpretatie die de geldigheid van Kafka's wereld beperkt in plaats van verruimt. Als Kafka over `joden' had willen schrijven, dan had hij zijn personages zo wel genoemd. Zoals men ziet: het valt niet mee om elke interpretatie achterwege te laten.

Niet dat Calasso als een schoolmeester alles gaat uitleggen. Geen moment wordt de lezer als een kind aan het handje meegevoerd. Dat gebeurt zelfs zo weinig, dat je er soms naar gaat verlangen, want eenvoudig is het niet om op eigen kracht enige lijn in dit boek te ontdekken. Wat Calasso ons voorschotelt is een bonte, ogenschijnlijk onsamenhangende collage van verhalen, impressies en reflecties, die prikkelen, amuseren en frapperen, niet in de laatste plaats door de elegante formulering. Zo heeft hij het ergens over `dode metaforen die hun geheim koesteren als een door amber omsloten insect'. Elders lezen we, naar aanleiding van het contrast tussen de inhoudelijke irrationaliteit en de degelijke literaire vormgeving in Het vonnis: `De wanverhouding is een passer die zover is opengevouwen dat hij plat op het papier ligt. Op dat papier zou Kafka's gehele oeuvre worden geschreven, als op een telkens opnieuw gebruikt palimpsest'.

Voor zo'n zin vergeef je de schrijver zijn duisternis graag, een duisternis die aan de andere kant weer tot voordeel heeft dat je onwillekeurig de dringende behoefte krijgt om Kafka zelf te herlezen. Bij hem kan de even wonderbaarlijke als troosteloze geheimzinnigheid van de moderne wereld nog altijd directer worden ervaren dan bij Calasso.

Hier ligt overigens een niet onbelangrijk verschil met de Griekse en Indiase mythen. Het is nog niet zo eenvoudig om die in hun oorspronkelijke vorm te lezen en dus ben je blij met Calasso's hervertelling, maar geldt dat ook voor Kafka? Zijn werk is springlevend en, hoe complex ook, heel toegankelijk. Het hoeft helemaal niet herverteld te worden – wat niet wegneemt dat we zo nu en dan een aanstekelijk en cryptisch boek als dit van Roberto Calasso nodig hebben om daar met kracht aan herinnerd te worden.

Roberto Calasso: K. Vertaald uit het Italiaans door Els van der Pluijm. Wereldbibliotheek. 304 blz. €28,90