Op zoek naar een blind date

Wie het over het korte verhaal heeft, roept meteen dat dit genre zwaar onderschat is. Of dat nu juist is of niet, één ding is zeker: met `de dikke Zwagerman' is van onderwaardering geen sprake meer.

De reusachtige bloemlezing De Nederlandse en Vlaamse literatuur vanaf 1880 in 250 verhalen van Joost Zwagerman valt uiteen in drie soorten verhalen: de verhalen die je al kent, de verhalen waarvan je zelfs de schrijver niet kent en de verhalen waarvan je eigenlijk vindt dat je ze veel eerder gelezen had moeten hebben. De eerste groep is het aangenaamst, ze zijn als een bekend gezicht in een mensenmenigte, de tweede groep is het spannendst, het literaire equivalent van een blind date. De derde groep is verreweg het grootst.

Tot die laatste groep behoort `Het onbegrepene', een verhaal van Carry van Bruggen uit 1907, waar je belandt als je toevallig besluit het boek op pagina 144 open te slaan. Een jongetje zit alleen in een hoekje van het schoolplein zijn griffels te slijpen: `Bedaardjes, met kleine, precieze streekjes sleep hij ze in lange, zacht afspitsende punten, nu en dan kritisch ze beziend en hun scherpte beproevend op z'n bleek en spichtig vingertopje, en lei, telkens als er een voltooid was, die keurigjes naast de andere in de houten doos, open neergezet op 't dichtstbije stoeptreetje, met voldoening beschouwend z'n eigen arbeid.' Een tafereel zo vredig, daar moet onheil in aantocht zijn.

Dat onheil komt. Het bestaat uit de voorleesbeurt die het jongetje te wachten staat in de eerstkomende les. Normaal ontleent hij trots aan het feit dat hij zo mooi kan lezen, maar nu is hij bang. Thuis heeft hij namelijk een verboden woord in de tekst zien staan, een woord dat zijn vader alleen maar aan wil wijzen, maar niet uit wil spreken. Een woord dat de jongen zéker niet over zijn lippen mag laten komen. Erger is dat hij berekend heeft hoe de beurten zullen verlopen, die middag in de klas. Eerst Jaap Scholten, dan Kees de Boer, dan Niek van Roojen en dan hij. En juist dan zullen ze bij dat woord zijn aangekomen. Het woord is `Jezus'.

`Het onbegrepene' is geen ingewikkeld verhaal: eenzaam joods jongetje probeert niet op te vallen, maar zal onherroepelijk als `anders' te kijk komen te staan, zonder dat hij iets begrijpt van de redenen daarvan. Voor de hedendaagse lezer een extra dimensie door het deel van de geschiedenis van de joodse Nederlanders waar Carry van Bruggen zich in 1907 onmogelijk een voorstelling van kon maken, maar dat is de hoofdzaak niet. De uitzonderlijke kracht van het verhaal zit in de combinatie van precisie en beperking: hier wordt maar een klein stukje wereld geschreven, zowel in ruimte als in tijd, maar dat wordt zo precies gedaan dat het een overweldigende zeggingskracht krijgt. Als je `Het onbegrepene' leest is er werkelijk niets anders meer dan dat klaslokaal, die leesbeurt en dat woord.

Meteen na het verhaal van Van Bruggen staat het minder perfecte, maar even intense verhaal `Het monster van China' van haar broer Jacob Israël de Haan. Het gaat over een zekere John die een bijzondere ontdekking heeft gedaan: Hop-Ki, een Chinees die uit nauwelijks meer dan een hoofd bestaat. De rest van zijn lichaam is zo klein en zo mismaakt dat het in een kistje zit. Een zaak voor de wetenschap, weet John ook. Maar hij geniet van het gezelschap van Hop-Ki en diens conversatie. Hij wil Hop-Ki houden. Genegenheid wil hij niet voor hem voelen, laat staan liefde, want een normaal mens hecht zich niet aan een monster. Hij zal Hop-Ki vermoorden.

Ook dit verhaal is eenvoudig te verbinden met de pijnlijke persoonlijke geschiedenis van de getroebleerde homoseksueel Jacob Israël de Haan, maar ook hier is dat de hoofdzaak niet: het is de uitbuiting van het kleine perspectief die maakt dat er voor de lezer geen ontsnappen meer aan is, deze paar mensen, deze kamer, dat is de wereld.

Waar deze verhalen door uitblinken is dat ze zozeer inzoomen op hun onderwerp, dat ze de hele buitenwereld tot ruis degraderen. Waar romans het vaak moeten hebben van beweging en samenhang, van het soort schoonheid dat je ziet als je een paar passen afstand neemt, nodigen deze verhalen juist uit om naar voren te stappen, om al het andere buiten te sluiten. Juist de wetenschap dat ze zó weer afgelopen zullen zijn, geeft ze een intense spanning. Belcampo heeft het in zijn verhaal `Bekentenis' over `ontroeringen, die uitbarsten'. Dat is het soort intensiteit die je in een roman eigenlijk nooit tegenkomt en waarschijnlijk is dat maar goed ook. Want een roman waarin iedere tien bladzijden de spanning zo hoog wordt opgevoerd, wordt al snel hijgerig en onleesbaar.

In zijn heldere inleiding tot de bundel heeft Joost Zwagerman het over verhalen die je `bij de lurven' grijpen als het leidende criterium voor zijn keuze, over verhalen `waar je door overrompeld, verpletterd en van je sokken geblazen wordt'. Wie het boek begonnen is met de twee hierboven genoemde verhalen van Van Bruggen en Israël de Haan, krijgt misschien de indruk dat hij zich moet opmaken voor een 250-voudige overrompeling – zeker als je ziet dat op de daaropvolgende pagina's drie verhalen van twee van de allergrootsten uit het genre – Nescio en Bordewijk – staan; de categorie bekende verhalen die je blij verrast terugziet.

En er staan ook inderdaad veel geweldige verhalen in De Nederlandse en Vlaamse literatuur vanaf 1880 in 250 verhalen, maar dat geldt niet voor allemaal. Daarvoor zijn het er eenvoudigweg te veel. Zwagerman heeft zijn bloemlezing niet als een kort verhaal samengesteld, maar juist met een zo breed en open mogelijk perspectief. De bloemlezing is aangekondigd als het verhalende equivalent van wat `De dikke Komrij' is gaan heten, de grote, regelmatig ververste bloemlezing die Gerrit Komrij uit de Nederlandse poëzie heeft gemaakt.

Een vergelijkbaar `totaalbeeld' moet Zwagerman voor ogen hebben gestaan en in die opzet is hij volledig geslaagd. Je kunt het boek lezen als een geschiedenis van het korte verhaal in Nederland, maar evenzeer als een geschiedenis van de Nederlandstalige literatuur aan de hand van korte verhalen, lopend van Marcellus Emants tot Annelies Verbeke. Zwagerman heeft niet alleen véél verhalen gekozen, hij heeft ook veel bekende verhalen gekozen en veel verhalen van bekende schrijvers. Vrijwel allemaal komen ze uit boeken, slechts in beperkte mate is er vergeten talent uit literaire tijdschriften opgedoken. De samensteller is niemand vergeten en heeft ook geen grote namen afgewezen. Iedereen staat erin. Behalve Willem Elsschot, die schreef weliswaar korte romans, maar geen verhalen. En behalve Gerrit Komrij. Zwagerman heeft een verhaal van zichzelf uitverkoren: `Winnie en de onschuld'.

Bovendien zijn alle subgenres vertegenwoordigd. Van de hele zuinige realisten tot verhalen met een bizar uitgangspunt (bejaarde verandert in aap, man ontdekt na het oversteken dat hij onderweg overreden is), humor om te lachen en te huilen (Brusselmans, Berckmans) of de spannende plotgestuurde verhalen van wat je de Amerikaanse school zou kunnen noemen – het soort verhaal waar Zwagerman zelf erg goed in thuis is.

Dat Zwagerman een brede en niet-provocerende keuze heeft gemaakt, zal ook te maken hebben met zijn uitgesproken emancipatoire doelstelling. Dit boek is bedoeld, schrijft hij, om een einde te maken aan de spreekwoordelijke miskenning van het korte verhaal in Nederland. Hier is het klassieke compliment voor een kort verhaal `dat er een roman inzit'. Dat impliceert een onzinnige hiërarchie. Zwagerman zou willen dat er voortaan bij besprekingen van een goede roman beweerd zou worden dat er een mooie verhalenbundel in verscholen zit.

Nu kun je lang discussiëren over de vraag of het korte verhaal werkelijk miskend is in Nederland. A.F.Th. van der Heijden heeft zich enkele jaren geleden juist beklaagd over de constante roep om `karigheid' in de Nederlandse letteren, meestal met Nescio in de hand. En je kunt moeilijk beweren dat die ondergewaardeerd wordt. Zoals er ook maar hoogst zelden iets onaardigs wordt gezegd over Biesheuvel, Hotz, Koolhaas, Van Maanen, Campert of Carmiggelt. Daartegenover staat dat uitgevers ervan overtuigd lijken te zijn dat romans beter verkopen dan verhalen, en dat je je auteurs dus beter kunt aanzetten tot het schrijven van een `grote roman' dan tot een grootse verhalenbundel.

Met die marktwijsheid in het achterhoofd is het voorstelbaar dat samensteller en uitgever voor een monumentale aanpak hebben gekozen: ook kleine spullen worden nu eenmaal goed verkocht in grote dozen. Minder omvangrijke bloemlezingen met korte verhalen verschenen al eerder en zijn nu nog op grote schaal te vinden bij De Slegte. En om zijn missie te volbrengen, moet dit boek wél verkocht worden. De ramsj is het domein van de literaire underdog – en juist van die underdogpositie wil Zwagerman het korte verhaal verlossen.

Het gevolg is wel dat het boek dat de Nederlandse lezer moet verleiden tot liefde voor het kleine en waardering van de literaire matiging, zelf een massieve uitstraling heeft en met zijn 1600 bladzijden en 2000 gram zwaar in de schoot van de lezer drukt. Daar zit bovendien ook een inhoudelijk element aan, dat meer begint op te vallen naarmate je verder leest in De Nederlandse en Vlaamse literatuur vanaf 1880 in 250 verhalen: Zwagerman lijkt een voorkeur te hebben voor het langere verhaal, waardoor er nogal wat verhalen instaan die je net iets minder bij de lurven pakken dan je zou willen. En omdat er begrijpelijkerwijs een maximum zit aan het aantal verhalen dat er van één auteur werd opgenomen (drie) zijn sommige verhoudingen wat vreemd. Uitgesproken korte-verhalenschrijvers als Maarten Biesheuvel (17 blz.), Remco Campert (9 blz.), Manon Uphoff (9 blz.) en Nescio (7 blz.) moeten het met weinig ruimte doen. Wel bevat het boek nu 28 pagina's Wolkers (het zal een kwestie van smaak zijn), 29 pagina's Mulisch (een van de schrijvers die niet beter is op de korte baan dan de lange) en 31 pagina's Hermans (die zijn wel erg goed).

Ook valt er op de details van Zwagermans keuze best iets af te dingen. Waarom maar twee verhalen van A. Alberts in plaats van drie? En waarom dan gekozen voor `De onbekende maarschalk', dat interessant is van perspectief, maar niet een van Alberts' beste. En waarom staat in het rijtje jongste schrijvers wel de verdienstelijke Belg Tom Naegels, maar niet diens fascinerende landgenoot Peter Terrin? Had R.J. Peskens echt geen plaatsje verdiend? En bij welke lurven heeft Margherita Pasquini Zwagerman in 's hemelsnaam weten te grijpen?

Maar details zijn details. Want bij het overgrote deel van de verhalen word je meteen duidelijk waarom Zwagerman ze heeft gekozen. Neem een paar zinnen uit het kortste verhaal uit de hele bundel, dat hierboven staat afgedrukt. Die geven je direct het gevoel het hele universum te vatten: `Alles was vreemd. Een opgetogen meisje, volwassen. Ze kan nog leven, ik leef ook nog.'

Of het nog niet volwassen meisje uit Ton Rozemans `Warm en hard en nat (reprise)' wier lichaam spreekt. Tenminste, zo voelt de vader van een vriendinnetje dat plotseling: `Ze gaat nog rechter staan, steekt haar buik naar voren, ze haalt een hand door haar haar. Ze glimlacht breed, je ziet een en al beugel [...] Ze draait haar rug naar de jongen toe en komt naast me zitten. Ik heb het idee dat ik iets met haar te bespreken heb, maar het wil me niet duidelijk worden wat dat zou moeten zijn.'

Zo nodigt De Nederlandse en Vlaamse literatuur vanaf 1880 in 250 verhalen uit tot eindeloos dwaallezen. Je bent geneigd je pareltjes vooral te zoeken in het eerste deel van het boek, bij de verhalen die de meeste tijd hebben gehad om in de vergetelheid te raken, maar ze staan overal. Zoals een verhaal van Allard Schröder dat prachtig nors inzet met de zin: `Humeurig keek Grondel naar het voeteneinde van zijn bed; ze waren vandaag met z'n drieën gekomen'. Vervolgens ontwikkelt het zich tot een ware hallucinatie. Of de licht beginnende maar hels eindigende kantoorvertelling `De croton' van Jos Vandeloo.

En soms stuit je inderdaad op een grote verrassing, een schrijver van wie je niet wist dat hij bestond. Op pagina 321 staat `Het ongeluk' van Reinder Blijstra, uit 1945. Het valt meteen op door de moderne naam die hij zijn hoofdpersoon heeft gegeven: Martijn. Ook plot en stijl zijn zakelijker dan in het overgrote deel van de verhalen uit dezelfde tijd. En het is een voorbeeldig verhaal: een man verliest zijn vrouw bij een ongeluk, krijgt op het oog gegronde vermoedens over een overspelgeschiedenis waarbij zijn beste vriend is betrokken en neemt een ingrijpend besluit.

`Het ongeluk' is niet alleen een aangename ontdekking, het is ook een verhaal van Angelsaksisch aandoende helderheid. Daarmee draagt het nadrukkelijk het stempel van samensteller Zwagerman, een groot liefhebber van het Amerikaanse korte verhaal. Meer nog dan de 249 andere verhalen is dit er dus een waarvoor we Zwagerman dankbaar mogen zijn. En dat bovendien doet uitzien naar een nieuwe bloemlezing met alleen maar vergelijkbare ontdekkingen. Want daarvoor moet De Nederlandse en Vlaamse literatuur vanaf 1880 in 250 verhalen het pad nu toch redelijkerwijze wel geëffend hebben.

Joost Zwagerman (samenstelling): De Nederlandse en Vlaamse literatuur vanaf 1880 in 250 verhalen. Prometheus, 1600 blz. (geb) €39,95