Nederland hielp weinig bij opsporing

Nederland schoot vaak tekort bij internationaal rechtshulpverzoek. En dat komt niet alleen door gebrek aan mankracht.

Het ging om een eenvoudig rechtshulpverzoek van Belgische zijde. In een grote strafzaak tegen drugshandelaren, waarbij ook Nederlanders betrokken waren, had de procureur des Konings in 2001 een rechtshulpverzoek ingediend bij het openbaar ministerie in Rotterdam. Vier jaar later hadden de Nederlandse politie en justitie dat verzoek nog niet afgehandeld. Met als gevolg dat in België een van de verdachten wegens gebrek aan bewijs moest worden vrijgesproken.

De behandelende Belgische rechters uitten begin dit jaar ernstige kritiek op Nederland in hun vonnis. ,,Daar waar vroeger in België politiediensten naast elkaar werkten en informatie achterhielden (...) komt de rechtbank thans tot de onthutsende vaststelling dat blijkbaar nog een vergelijkbare toestand heerst tussen de autoriteiten van twee buurlanden.''

Aan dit voorbeeld van falend Nederlands optreden na een internationaal rechtshulpverzoek wordt gerefereerd in het onderzoek `De strafrechtelijke rechtshulpverlening van Nederland aan de lidstaten van de Europese Unie', uitgevoerd door de Vakgroep Strafrechtswetenschappen van de Universiteit van Tilburg, dat vandaag werd gepresenteerd.

In 1999 had een werkgroep van de Europese Unie forse kritiek op de Nederlandse afhandeling van internationale rechtshulpverzoeken. Nederland, zo werd vastgesteld, was onvoldoende in staat om dergelijke verzoeken af te handelen. Dat lag deels aan de capaciteit die Nederland daarvoor beschikbaar stelde, maar ook aan `gebrek aan besef' dat het noodzakelijk is om in Europees verband internationale criminaliteit aan te pakken.

Ook een onderzoekscommissie van de Tweede Kamer concludeerde in 1999 dat de organisatie van de rechtshulpverlening onvoldoende functioneerde. In oktober 2002 presenteerden de ministers Remkes (Binnenlandse Zaken, VVD) en Donner (Justitie, CDA) hun Veiligheidsprogramma Naar een veiliger samenleving met onder meer als doelstelling dat ,,alle internationale rechtshulpverzoeken worden geregistreerd en tijdig en adequaat in behandeling genomen''.

Toch schort het daar in de praktijk nog steeds aan, zo blijkt uit het Tilburgse onderzoek. Zoals in een procedure waarbij Nederlandse en Duitse rechercheurs gezamenlijk opereerden in een `gecontroleerde aflevering' van chemicaliën in Nederland. De officier van justitie weigerde daarbij toestemming. Hij was bang dat de partij chemicaliën niet volgens de regels zou kunnen worden opgeborgen en er dus het risico zou zijn van milieuschade.

De rechercheurs én de Duitse officier van justitie reageerden woedend. De Nederlandse officier werd onder druk gezet en ging overstag, maar trok zich uiteindelijk toch weer terug. ,,De reacties in zijn omgeving laten zich raden'', stelt het onderzoek.

Toch ligt de schuld voor mislukte rechtshulpverzoeken lang niet altijd aan Nederlandse zijde. Zo maakt België op grote schaal `oneigenlijk' gebruik van procedures om in Nederland woonachtige verkeersovertreders op te sporen. Dan gaat het om zaken als door rood licht rijden of overtreding van de maximumsnelheid. Maar ze moeten vervolgens in Nederland wel opgespoord en verhoord worden. Aan de Belgisch-Nederlandse grens gaat het om bijna de helft (2000) van de daar ingediende rechtshulpverzoeken. Er is Europese regelgeving op komst die het langs andere weg mogelijk maakt om verkeersboetes in andere lidstaten te innen. Maar in het onderzoek wordt toch voorgesteld om bij het wederzijds rechtshulpverkeer de strafrechtelijke drempel te verhogen.

Andere obstakels bij de afhandeling van rechtshulpverzoeken zijn de langdurige procedures bij rechtbanken als er een buitenlands verzoek tot overdracht wordt ingediend van in Nederland in beslag genomen bewijsmateriaal. Uitvoering van dergelijke verzoeken lopen vaak aanzienlijke vertraging op omdat het in de praktijk lang duurt voordat er een rechter-commissaris beschikbaar is.

Nederland heeft zich de kritiek aangetrokken en heeft maatregelen getroffen die `grote waarborgen bieden voor adequate afdoening van het overgrote deel van de inkomende rechtshulpverzoeken', concluderen de onderzoekers. Verbeteringen zijn nog mogelijk op het gebied van registratie van binnengekomen verzoeken en uitbreiding van de politiecapaciteit voor de afhandeling van complexe rechtshulpverzoeken.