Mosredna Sella

Het was weer eens zonsverduistering en ik zat er weer eens vol verbazing naar te kijken, met mijn eclipsbril op de neus. Op klaarlichte dag werd voor de grote zonneschijf heel langzaam een zwarte tennisbal geschoven, waarvan we dan maar moesten aannemen dat het de maan was, want zo stond het in de boeken. Er zat weinig anders op dan maar te blijven kijken. Onderwijl kwamen er enkele eclipswoorden in mij op, ooit eens aangetroffen in een gedicht uit Gerrit Komrij's bloemlezing uit de Nederlandse poëzie van de twaalfde tot en met de zestiende eeuw, en sindsdien niet meer vergeten. Het gaat niet over een zons-, maar over een maansverduistering, maar dat maakt in dit geval niet zo veel uit. Zo begint het: `Eclipsis, mipsis, hipsis, pripsis, calipsis.' Mooi gezegd. Zangerig ook. En er valt wetenschappelijk gezien niet veel tegen in te brengen. Zo gaat het verder: `In 't hooghe schaelliënhuys, sittende op den tripsis.' Ook mooi. En het rijmt. Het is genomen uit `de prognosticaties uit Ulenspieghel', nonsensvoorspellingen uit een oude onzinalmanak. De bijgeleverde prozavertaling zegt: `Eclipsis, mipsis, hipsis, pripsis, calipsis, zowaar ik in het hoge huis met de dakpannen op mijn driepikkel zit.'

Zo zat ik dan maar, op mijn denkbeeldige driepikkel, naar de eclipsis te turen, met ook niet veel meer bijgedachten dan dat het toch altijd maar weer een ingewikkeld gedraai om elkaar is, van manen en planeten, zelf ook weer om hun as draaiende. Als je erover nadacht, kon je bedenken dat op hetzelfde moment aan de andere kant van de aardbol mensen lagen te slapen die helemaal niets van de verdwijning zagen, ook niet als ze nu hun ogen zouden opslaan en naar het balkon zouden lopen. Omgekeerd: hoeveel eclipsen hadden wij hier dan wel niet gemist op al die momenten waarop ze aan de andere kant op hun driepikkel naar de hemel zaten te turen? Er is op hetzelfde moment altijd ook een omgekeerde wereld – en even verbeeldde ik me dat ik dat zelf had bedacht.

In de literatuur is het een bekend gegeven: de omgekeerde wereld. Mundus inversus. Ook wel: de verkeerde wereld, naast of in plaats van de gewone wereld. Een van de oudste voorbeelden ervan is te vinden bij de Griekse dichter Archilochos die de zonsverduistering van 6 april 648 voor Chr. meemaakte. De dag werd zomaar nacht. Het was een angstaanjagende ervaring. `Van nu af aan is alles denkbaar en mogelijk', schreef hij. En hoe zou het verder gaan? `Er is geen mens die nog verbaasd opkijkt / als hij in de zilte weide wild ziet springen / dat bruisende golven boven vaste grond verkiest / of dolfijnen ziet buitelen over beboste bergen...' (vertaling Paul Claes).

Enkele van die oude angstvisioenen keren terug in middeleeuwse voorstellingen van een omgekeerde wereld: de zon is zwart geworden, de maan valt naar beneden, vuur brandt in ijs, een adder paart met een berin, een ezel speelt op de lier en er staat een os bovenop de klokketoren. Zulke teksten hoeven niet meer alleen zonsverduisteringsangsten te bezweren; ze kunnen ook voor de lol zijn bedoeld. Omkering levert onzin – en onzin is nu eenmaal vaak grappig. Zie carnaval – ook één grote omkering van het normale leven. Soms zit er ook, net als bij carnaval, een element van spot en satire in: de omgekeerde wereld houdt de echte wereld een lachspiegel voor, met een blinde mol als schoolmeester en een stomme ezel in het bestuur.

En dan is er het element van troost: wie ongelukkig is in de gewone wereld, kan altijd nog fantaseren over een omgekeerde wereld waarin alles wel naar wens verloopt. Ik had al heel wat uren gelezen in de verzamelde liedteksten van Hans Dorrestijn, toen mijn oog viel op een lied met de titel `Mosredna sella taag raad'. Het verhaalde van de boerderij van Krelis Krom; een bijzonder erf, want `daar gaat alles andersom'. Voorbeeld: `Daar gakt de kip, daar kakelt de gans, / het paard dat blaft, de koe spreekt Frans.' En: `de meid legt eieren in het hooi, / de knecht zingt roekoe in de duivenkooi.' En aan het eind staat de boer natuurlijk, `merkwaardig geval', psalmenzingend op stal, terwijl het varken binnen aan tafel zit en klaagt over de oogst `en over zijn spit'. Kortom: mosredna sella taag raad, bij boer Krom.

Het leek me een zuiver geval van omgekeerde wereld, inclusief achterstevoren te lezen woorden. Toen zag ik pas dat hetzelfde stramien in veel van de andere liederen aanwezig was. Het zat in letteromzettingen, maar ook in regelomzettingen: `Alle gras is als vlees', een liedje dat wil aantonen dat de grassen in deze wereld het ook niet gemakkelijk hebben. Het stramien zat in het omkeren van alledaagse patronen: `als de telefoon niet gaat, dan weet ik dat jij het bent.' In het terugdraaien van de tijd, want dan zal de weggelopen geliefde vanzelf weer, ruggelings, terugkomen bij mij.

In het omkeren van de chronologie: `Had ik je maar verlaten / voordat je mij verliet.' Want inmiddels weet Dorrestijn: `degene die verlaten wordt / die heeft het meest verdriet.' Dus is het voortaan zaak om de verlating vóór te zijn: `Groet een meisje mij vol gratie / dan roep ik heel vlug: ,,Doei!'' / 'k Verbreek nu een relatie / nog voor de volle bloei.' Een droevige aanleiding en een wijs inzicht in hoe het gaat in het leven zijn hier langzaam overgegaan in een gedragsstoornis. De dichter spreekt zelf van verlatingsdwang. Hij heeft nu niets meer en lijkt er nog blij mee te zijn ook: `Ik pak op tijd mijn biezen / of zet een vrouw op straat, / ik wil geen vrouw verliezen / doordat ze mij verlaat.' Het ziet er eerst nog uit als een grap, een typische omkering uit de omgekeerde wereld, maar toch weet iedereen dat het zo zot niet is: in de gewone wereld lopen genoeg van dit soort teleurgestelden rond die zich ook zo proberen te wapenen tegen nieuw verdriet.

Waarom rijmt ster op ver? Het zal wel toeval zijn, maar Dorrestijn houdt ons voor dat het een kwestie van logica is. `Niet voor niets rijmt ster op ver / want de sterren staan hier ver vandaan.' Het klinkt alsof er door de taal over is nagedacht. Nog een voorbeeld: `Niet voor niets rijmt baan op maan / daar zij van oudsher dezelfde weg moet gaan.' Het klinkt aannemelijk. En dus rijmt meid op vrijt – en meteen daarna op eenzaamheid en kwijt. Ook dat klopt. Verder maar weer: God rijmt op lot, want God bestuurt alles `van 't begin tot aan het slot.'

Het is een onzinredenering, maar in de loop van het lied is hij al zo vaak juist gebleken en inmiddels zijn we al zo ver van de aanleiding afgedwaald, dat niemand zich er nog tegen verzet. Nog maar weer eens: `Niet voor niets rijmt zicht op licht.' Natuurlijk. We kunnen nu niet meer terug. `En niet voor niets rijmt clown op down.' Voordat we ons daarover hebben kunnen beraden, klinken de slotregels al: `En daarom rijmt ook zonneschijn / op vrolijk zijn en Dorrestijn.' In de omgekeerde wereld spreekt men dan van een bewijs uit het gerijmde.

Hans Dorrestijn: Nu de liefde me zo tegenzit. Onder redactie van Lolies van Grunsven. Pluche-reeks. Nijgh & Van Ditmar. 334 blz. €27,50.