Laat het hart maar razen

Waar eindigt geschiedschrijving en begint verdichting? Deze week discussieert de Leesclub over `De tuinen van Bomarzo' als de zoektocht naar een roman.

Wie Hella Haasses De tuinen van Bomarzo leest, vraagt zich af waarom er wel doktersromannetjes bestaan en niet bijvoorbeeld kardinalenromannetjes of pausromannetjes. De hoeveelheid intriges, seks, roddel en achterklap rondom het Vaticaan zijn ongelofelijk, daar moet een purperen pluchereeksje van te maken zijn.

Een deel in zo'n pluchereeks is Haasses boek niet, maar wat dan wel? Hebben we hier te maken met een detective, een autobiografisch verslag, een historische roman of een essay? Het is al vaker opgemerkt: het onderscheid tussen de genres is in Haasses werk moeilijk te maken.

Het zal van allemaal wel een beetje zijn, maar één ding is zeker: De tuinen... is geen essay. Haasse heeft namelijk niet gekozen voor `een vorm van literair onderzoek, met de bedoeling om al schrijvend iets te weten te komen wat daarvoor niet helder was', zoals Arjen Fortuin vorige week schreef in de Leesclub. Een dergelijke definitie stemt erg overeen met W.F. Hermans' visie op de romancier. Bovendien De tuinen... als essay wegzetten: daarmee belicht je te nadrukkelijk één kant van het werk, zij het dat deze kwalificatie misschien minder beledigend is dan die van detectiveroman. Maar de vraag blijft: wat had Haasse voor ogen? Eigenlijk is deze vraag het onderwerp van het boek, dat vanaf het begin leest als het verslag van het zoeken naar materiaal voor wat een grote historische roman had kunnen worden, of een cultuurhistorisch essay, of (goed dan) een detective.

Haasse begint te vertellen over haar fascinatie voor het park, waarna het boek al snel het karakter krijgt van een voorbereiding op het schrijven van een roman waarin het park `moet dienen als achtergrond voor de onderlinge verhoudingen en conflicten van de hoofdpersonen, die echter nog niet aan de verbeelding van X [de geplande ik-figuur] zijn ontsproten' (blz. 10). De rest van De tuinen... leest als het boek van X: verhoudingen en conflicten worden in kort bestek geschetst, waarbij spectaculair materiaal wordt aangedragen waarmee trilogieën te vullen zijn. Maar er gebeurt niets mee: eerst de achtergrond en dan pas het verhaal, lijkt de impliciete taak te zijn die Haasse aan X heeft meegegeven.

En dat is natuurlijk niet eenvoudig: er is enorm veel materiaal, maar hoe bepaal je de waarde ervan? Hoe betrouwbaar is een gedetailleerde beschrijving van een gebeurtenis die vierhonderd jaar geleden plaatsvond? Waar eindigt geschiedschrijving en begint verdichting? Het belangrijkste is het verband waarin de disparate feiten gezien moeten worden, maar juist als het daarom gaat, moet iemand die terugkijkt zich eigenlijk wel als romanschrijver gedragen. De beschouwer achteraf zal haar eigen verbanden moeten verzinnen wanneer ze geconfronteerd wordt met de `grondeloze vreemdheid van het menselijk bestaan van vier, vijf eeuwen geleden, twaalf of vijftien generaties terug in de tijd' (blz. 29).

Met deze waarschuwing op zak verzamelt Haasse toch zo goed mogelijk de gegevens over de tuin, die geschetst wordt in zijn labyrintische glorie. Vooral dat laatste buit ze grondig uit: doolhoven duiken op vanaf de eerste alinea (in een droom) tot aan de allerlaatste (afgebeeld op de kledij van een mysterieuze jongeman op een schilderij). Is het een `verfijnd intellectueel genoegen' of `een soort van gezelschapsspel' (blz. 33-34) vraagt ze zich af naar aanleiding van labyrinten in de tuin. Het antwoord is afhankelijk van de context – en voor het boek geldt hetzelfde. Ze doolt tussen haar materiaal. En ze mag weliswaar een tikje vrijblijvend begonnen zijn op vakantie, ze eindigt met een verrassende analyse van zowel de hoogtijdagen van de Renaissance als van de jaren zestig van de vorige eeuw.

Na zo'n 150 bladzijden lijkt Haasse het materiaal ongeveer rond te hebben – er ligt een idee van de geschiedenis van de tuin en van haar betekenis: als een soort vroeg-decadente verbeelding van seks en geweld, voortkomend uit de ongebreidelde passie die spreekt uit een half onleesbare inscriptie, `Alleen door uit te razen kan het hart...' (blz. 52). En dan volgt de bezinning: was deze speurtocht een `vlucht in het verleden' – wat een historische roman in zekere zin toch altijd is?

Maar dat is blijkbaar niet de bedoeling. Is Haasse soms bezig met het herschrijven van een geschiedenis die `op duizend manieren' geschreven kan worden? De tuinen... lijkt een poging om dat op een nieuwe manier te doen, met behulp van fictie. Ze ondergraaft immers de documentaire kwaliteiten van het voorgaande wanneer ze de zorgvuldig opgebouwde geschiedenis `reduceert' tot een `fictieve samenhang' die tot stand is gekomen dankzij haar `eigen beeld, kortom mijn dromen van doolhoven en tuinen geprojecteerd in tijdperken en problemen die mij altijd al geboeid hebben' (blz. 153).

Helemaal buiten die samenhang valt de ontdekking die Haasse als laatste presenteert: een schilderij van Veneto waarop een onbekende man met een labyrint op zijn borst in een vaag landschap is afgebeeld. `Wie wat waar wanneer?' is de laatste zin van De tuinen van Bomarzo. Het boek is uit, de historische roman kan een aanvang nemen.

Volgende week in de Leesclub Elsbeth Etty over Terug tot Ina Daman van Vestdijk.