Het probleem van de rijken

Het Westen is wat de armoedeproblematiek aangaat verwikkeld in een ingewikkelde knoop. Wie biedt de beste oplossing: de opgewekte cynicus, de menslievende egoïst of de ontluisterende realist?

Een van de zeven stappen om iets aan armoede te doen is: stel vragen; want wie goede vragen stelt zal meer over de waarheid te weten komen, aldus Geraldine Bedell. Zij is de auteur van het flinterdunne pamflet Make Poverty History, dat iedereen bij de Live 8 concerten in Engeland voor twee pond kon aanschaffen. De opgewekte ondertitel van het drukwerk luidt: How You Can Help Defeat World Poverty in Seven Easy Steps. Volgens Bedell is het redelijk eenvoudig om zelf iets aan het armoedeprobleem te doen. Neem bijvoorbeeld het volgende dilemma: als we geld geven aan de arme landen, verdwijnt het geld dan niet in de zakken van lokale, corrupte leiders? `Ja, inderdaad,' luidt het antwoord. `Maar wie weigert hulp te verlenen omdat gevallen van corruptie zich hebben voorgedaan, kan net zo goed zeggen dat alle bedrijven moeten sluiten omdat er wanbeleid heeft plaatsgevonden bij Enron.'

Er is niks mis met de intentie en de manier van presentatie van dit pamflet. Het is immers altijd zinvol om mensen te prikkelen tot nadenken over ingewikkelde kwesties, zeker als het gaat om een moeilijke langetermijnkwestie als armoede. Het is misschien wel erg `lekker' gebracht door korte teksten af te wisselen met citaten van beroemdheden als Bono en Nelson Mandela en door op de binnenflappen flashy foto's van onder anderen model Kate Moss en soulzangeres Joss Stone te plaatsen. Maar toch is er iets aan de hand met dit boekje – het heeft te maken met de manier waarop de vragen worden gesteld en de antwoorden worden gegeven: het geheel getuigt van een dubbelheid die nog het beste valt te definiëren als `opgewekt cynisme'.

Het pamflet is exemplarisch voor de ingewikkelde knoop waarin het Westen zich inmiddels heeft gedraaid met betrekking tot de armoedeproblematiek: ja, we moeten opgewekt blijven omdat we nu eenmaal de hoop niet mogen opgeven. En ja, iedere vraag die we stellen en elke oplossing die we zoeken, anticipeert al op een bestaand cynisme omdat we, ten aanzien van de armoede in de wereld al zo veel hebben geprobeerd en maar geen structurele oplossing kunnen vinden.

Het is een knoop waar Jan Pronk, oud-minister van Ontwikkelingssamenwerking en inmiddels speciaal vertegenwoordiger van VN-secretaris Kofi Annan in Soedan, zich al jaren in bevindt. Als we echt iets willen doen aan de huidige globalisering di `over lijken' gaat, dan moet er een radicaal nieuw beleid komen, waarbij wordt gekeken naar duurzame oplossingen en niet naar het kortetermijnbelang. `Hulp – dat wil zeggen maatschappelijke bijstand, maar ook internationale ontwikkelingshulp – helpt onvoldoende,' schrijft Pronk in Willens en Wetens, gedachten over globalisering en politiek (besproken in Boeken 16.09.05). Helaas is het alternatief, een radicale systeemverandering, in strijd met de belangen van `de wereldwijde middenklasse', die profiteert van de huidige economische vooruitgang.

Het geval wil dat een organisatie als Make Poverty History precies die (in dit geval westerse) middenklasse wil bereiken met haar campagne. Maar lukt dat ook? Heeft het zin om te demonstreren tegen en te debatteren over armoede, zonder zelf fundamenteel een andere levenshouding aan te nemen? En, als je daartoe bereid bent, hoe moet dat dan?

Het zijn vragen waar historicus en schrijver Chris van der Heijden ook geen antwoord op krijgt. De auteur van Zwarte Renaissance (1998) en het controversiële Grijs Verleden (2001), besloot zich de afgelopen jaren in het onderwerp `armoede' te verdiepen en kwam tot de conclusie dat `met de kennis de verwarring toeneemt'. Hoe meer hij probeert te begrijpen van een onderwerp als armoede, hoe meer vragen er bij hem naar boven komen. Desalniettemin is het resultaat een helder geschreven boek, getiteld Een dollar per dag. Arm & rijk in de wereld van nu, dat eigenlijk verplicht zou moeten zijn voor iedere middelbarescholier met economie in het pakket.

Van der Heijden bezigt een vorm van `zoekende journalistiek' door reportages over Mali, India en Bolivia af te wisselen met persoonlijke essays waarin hij zijn eigen twijfels en overpeinzingen ten aanzien van armoede prijsgeeft en onderbouwt met analyses over armoede. Het is duidelijk dat hij alles behalve de idealist wil uithangen. Juist omdat er al zo eindeloos veel over armoede is gepubliceerd en vanwege het heersende cynisme ten aanzien van armoedebestrijding, besluit hij om ongegeneerd allerlei clichés opnieuw onder de loep te nemen. Zo filosofeert hij over de stelling dat armoede een relatief begrip is. In feite, schrijft hij, `is' armoede niets. Waarschijnlijk is het nuttiger om, als je een harde grens wilt trekken tussen arm en rijk, eerst te omschrijven wat een mens eigenlijk nodig heeft. Maar wie dat doet, begeeft zich wel in een hopeloos ingewikkelde discussie.

Van der Heijden wijst ook op een ander bekend probleem dat zich bij armoedebestrijding maar al te vaak voordoet en waar econoom Jeffrey Sachs onlangs, in het VPRO-programma Tegenlicht, ook weer een opmerking over maakte: het grote gevaar van de cijfers. NGO's en grote internationale instellingen publiceren vaak rapporten die bol staan van de cijfers. Het lijken harde feiten maar vaak is onduidelijk waar ze eigenlijk over gaan en wat de relatie is tussen de cijfers en de conclusies.

Een derde cliché dat de auteur aansnijdt, en wat tevens zijn belangrijkste punt is, is de kloof die bestaat tussen de armoedebestrijders en de armen zelf. Het denken over en het analyseren van armoede, constateert hij, is altijd voornamelijk iets geweest van de `rijken'. Het beleid wordt namelijk door het personeel van hulporganisaties ontwikkeld. Dit zijn vaak denkers, geen doeners, geen uitvoerders maar managers. Het gevolg is dat de theorie zich losmaakt van de praktijk en een eigen leven gaat leiden. En dat, aldus Van der Heijden, `vergroot het gevaar dat het alledaagse probleem van de armen het theoretisch probleem van de rijken wordt.' `Zal er ooit een methode worden bedacht die echt werkt?' vraagt hij zich af. `Het antwoord kan er maar een zijn – een plotselinge maar onwaarschijnlijke verandering van de menselijke soort uitgesloten: nee.'

Het is een sombere conclusie. Toch onthoudt Van der Heijden zich niet geheel van een poging om een antwoord te geven op de vraag: maar wat dan? Als er een oplossing voor het armoedeprobleem moet worden gevonden, dan door de armen zelf. `Zolang de zwakken het heft niet in eigen handen nemen en aanvaarden dat de sterken hun problemen oplossen [...] blijven ze zwak en verandert er onvoldoende.' Van der Heijden gelooft namelijk niet in de `zogenaamde menslievendheid' van het tijdperk waarin hij studeerde (waarmee hij refereert aan de jaren zeventig en de eerste periode dat Jan Pronk minister van Ontwikkelingssamenwerking was). Toch beschouwt hij het geven van hulp als een morele plicht. Hij pleit voor het verlenen van noodhulp en het wegnemen van handelsbarrières. `We hoeven dat niet eens uit menslievendheid te doen,' schrijft hij. `Egoïsme mag ook – egoïsme dat iets verder denkt dan de dag van vandaag en inziet dat de wereld met de dag kleiner wordt, het Westen vergrijst, (en) goede concurrentie de zaken voor iedereen beter maakt (...).'

et is allemaal heel rationeel beargumenteerd, maar toch blijft er een vraag hangen na het uitlezen van dit boek: wat is er eigenlijk mis met menslievendheid? Daar kom je toch ook niet onderuit als je vindt dat het verlenen van hulp een morele plicht is? De basis van waaruit de menselijke moraal wordt ontwikkelt is immers liefde, of, op zijn minst, begrip voor de ander.

Het is grappig dat uiteindelijk Jan Pronk, tegen wiens idealisme Van der Heijden zich juist verzet, veel nuchterder uit de hoek komt. Volgens hem moeten we de wereld niet verbeteren uit een gevoel van medemenselijkheid of uit verantwoordelijkheidsbesef. Dat zijn volgens Pronk ethische waarden waar niet ieder mens dezelfde lading aan geeft. Er is maar één motief dat alle mensen bindt en dat de uiteindelijke beweegreden zal zijn om een einde te maken aan langetermijnproblemen als armoede, klimaatverandering en de aantasting van de biosfeer. Dat is de rede. `Het is niet rationeel bij te dragen aan de eigen ondergang', schrijft Pronk. Dat neemt nog niet weg dat de mensheid inmiddels druk bezig is om dat wel te doen. Daarom zou het verdomd fijn zijn als alle opgewekte cynici van deze generatie zich laten overtuigen door het ontluisterende realisme van deze idealist en meewerken aan een radicale, allesomvattende oplossing voor het armoedeprobleem.

Geraldine Bedell: Make Poverty History. How You Can Help Defeat World Poverty in Seven Easy Steps. Penguin, 64 blz. €4,99

Chris van der Heijden: Een dollar per dag. Arm & rijk in de wereld van nu. Contact, 480 blz. €22,90