Het ongeluk van de vrijheid

Volgend jaar wordt gevierd dat het Engelse parlement in 1806 de slavernij buiten de wet stelde. Twee grote historici met tegengestelde reputaties wijdden er hun nieuwe boek aan. De een ziet een heldenepos, de ander een uiterst pijnlijke geschiedenis.

Twee bekende auteurs van historische bestsellers hebben tegelijkertijd een boek over de afschaffing van de slavernij op de markt gebracht. Daarmee lopen zij vooruit op de herdenking, volgend jaar, van het moment waarop het Engelse parlement bijna tweehonderd jaar geleden de slavenhandel verbood. Daarmee werd niet alleen een bloeiende tak van handel met één pennenstreek buiten de wet geplaatst, maar werd ook de winstgevendheid van de Engelse plantagekolonies ernstig aangetast.

De reputaties van beide schrijvers zijn aan elkaar gewaagd. Adam Hochschild kennen we van zijn geruchtmakend boek over de hardhandige kolonisatie van wat later de Belgische Kongo zou gaan heten (King Leopold's Ghost, 1999). Als een meedogenloze muckraker lichtte hij het deksel van de beerput en nagelde hij de Belgishce koning Leopold II aan de schandpaal. Simon Schama heeft een veel ironischer belangstelling voor het verleden. Hij grossiert in goed verkopende studies, waarvan zijn boek over de cultuur van zeventiende-eeuws Nederland The Embarassment of Riches (vertaald als Overvloed en onbehagen) in ons land het bekendst is. Schama brengt de historische personen in zijn boeken tot leven door in de huid, de geest, ja zelfs het gevoelsleven van de hoofdfiguren uit zijn verhaal te kruipen. Vaak lijkt hij zich daarbij iets meer armslag te gunnen dan de bronnen hem strikt genomen veroorloven. Collega-historici fronsen daarover regelmatig hun wenkbrauwen, zeker als hun eigen publicaties minder goed verkopen dan die van Schama – wat meestal het geval is.

De verschillen tussen Hochschild en Schama openbaren zich ook in hun nieuwe boeken over de afschaffing van de slavernij: Hochschild is traditioneler in zijn aanpak en blijft veel meer op afstand en behandelt bovendien een veel langere periode. Deze verschillen verklaren waarom Hochschild de afschaffing als een heldenepos ziet, terwijl Schama er een hopeloze mislukking van maakt.

De auteurs zijn het eens over het feit, dat aan de afschaffing van de slavernij (ook wel abolitie genoemd) humanitaire overwegingen ten grondslag lagen. Slavenhandel en slavernij zijn niet buiten de wet gesteld, omdat ze economisch achterhaald zouden zijn en na de industriële revolutie toch niet meer zouden kunnen concurreren met vrije arbeid en migratie. Beide auteurs weten dat de Engelse slavenhandel op het moment van afschaffing in 1806 nog steeds krachtig groeide en dat zonder die wettelijke ingreep nog miljoenen slaven de Atlantische Oceaan zouden zijn overgevoerd. En wat voor de slavenhandel gold, gold ook voor de slavernij. Bijna tot op de dag van de afschaffing bleven de slavenprijzen stijgen en dat laat zien dat de eigenaren de arbeid van hun slaven wel degelijk winstgevend achtten. Schama en Hochschild onderstrepen ook beiden dat Engeland het land was dat bij de afschaffing het meest te verliezen had, omdat het de grootste slavenhandelsvloot bezat en de koloniën met de meeste slaven.

Vanuit dit gemeenschappelijk vertrekpunt volgen Hochschild en Schama twee verschillende routes. Hochschild behandelt de hele afschaffingscampagne, althans voor zover dat betrekking heeft op Engeland. Hij ruimt veel plaats in voor de bekende voorvechters van de abolitie (de saints) zoals John Newton, Thomas Clarkson en William Wilberforce, waarbij hij zich baseert op een indrukwekkende hoeveelheid literatuur, ongepubliceerde proefschriften en gedrukte bronnen. De kenner zal er echter weinig nieuws in aantreffen. Daar staat tegenover dat Hochschild er zonder meer in geslaagd is om het unieke en gecompliceerde verhaal van de Engelse afschaffingscampagne voor een groot publiek toegankelijk te maken. Op vrijwel elke bladzijde blijkt zijn verbazing en bewondering voor het Engelse streven om eerst een einde te maken aan de eigen slavenhandel en slavernij en daarna aan die van alle andere naties ter wereld.

Anders dan in zijn vorige boek weet Hochschild in Bevrijd de slaven! geen schaduwzijde te ontdekken. In plaats van een schandaalkroniek is deze studie een heldenepos geworden, one of the few golden pages in the history of mankind zoals sommige negentiende eeuwse Engelse historici de abolitie zonder valse bescheidenheid al noemden.

Het verhaal van Schama is heel anders. Dat is geschreven als basis voor een veeldelige tv-productie van de BBC. Hij haalt een vreemde en bijna onbekende voorloper van de afschaffing van de slavernij onder het stof vandaan: de vrijverklaring van de slaven, die tijdens de Amerikaanse onafhankelijkheidsoorlog (1775-1783) hun meesters verlieten en overliepen naar de Britse linies. Hun aantal liep in de tienduizenden, hoewel het precieze getal niet bekend is. Evenmin is uitgezocht waarom zoveel slaven hun meesters wel trouw bleven, hoewel de voortdurend heen en weer golvende militaire campagnes voor veel bestuurlijke anarchie zorgden en genoeg kansen boden om weg te lopen.

Over de Amerikaanse onafhankelijkheidsoorlog zijn boekenkasten volgeschreven, maar over de positie van de slaven in die periode is bijna niets bekend. Vandaar dat deze gebeurtenis wel is getypeerd als the dirtiest little secret van de Amerikaanse Revolutie. In die Revolutie paste de slavenexodus niet, want de jonge republiek liet zich immers voorstaan op haar progressieve geloof in de vooruitgang, de vrijheid en de zelfbeschikking van de mens. Dat blijkt nu deels hypocrisie te zijn, want de Freedom Fighters vochten even hard voor hun eigen vrijheid als voor het behoud van de onvrijheid van hun slaven. Schama wijst erop dat een aantal founding fathers hun handtekening zetten onder de hoogdravende tekst van de `Declaration of Independence' en tegelijkertijd fel gekant waren tegen het Engelse aanbod om hun slaven vrij te verklaren. Alleen al Thomas Jefferson telde 34 weglopers onder zijn slaven en George Washington – ook een slavenhouder – wilde na de wapenstilstand de Engelse troepen niet uit New York laten vertrekken tenzij ze eerst alle weggelopen slaven zouden retourneren.

Toch is enige scepsis over de Britse houding op zijn plaats. Waren de Engelsen werkelijk voorstanders van de slavenbevrijding? Op het moment dat de Britten de slaven van hun vijanden de vrijheid beloofden, had de Engelse slavenhandel haar hoogtepunt nog niet eens bereikt en dat gold ook voor het aantal slaven in de Britse koloniën. Daarom kan de vrijverklaring van de slaven alleen een ad hoc beslissing zijn geweest, afgedwongen door de omstandigheden. De Fransen zouden ook zo'n gebaar maken in 1794, toen de Conventie in Parijs zowel de slavernij als de slavenhandel afschafte samen met het uur, de week, de maand, God, de feodaliteit en wat al niet.

Die afschaffing was een politieke gelegenheidsgeste en niet het resultaat van een breed en diep gevoelde verandering in het denken over slavernij, want nauwelijks acht jaar later kon Napoleon zonder veel protest uit eigen land de slavernij in de Franse koloniën weer invoeren. In Engeland was dat anders. De vrijverklaring van de gevluchte slaven in Noord-Amerika mag dan niet meer dan een tactische manoeuvre zijn geweest, in de jaren daarna kreeg de beweging tegen slavenhandel en slavernij op de Britse eilanden steeds meer aanhang onder alle lagen van de bevolking.

Schama schrijft met veel sympathie over de gevluchte slaven, want hun keuze voor de vrijheid bleek al gauw een keuze voor de verliezer te zijn. Alleen hun vertrek uit Noord- Amerika kon voorkomen dat ze weer in slavernij zouden geraken. Maar waar moesten ze naartoe? In grote delen van het Engelse imperium uit die tijd waren vrijgelaten slaven niet welkom. Vandaar dat een deel van de slaven uit de Verenigde Staten naar Nova Scotia werd gebracht. Een ander deel kwam in Engeland terecht. Vanuit beide plaatsen ging daarna een klein aantal scheep naar Sierra Leone. Dat was een nieuwe, minuscule kolonie aan de Afrikaanse Westkust, ingericht door de voorstanders van de afschaffing van de slavernij. De kolonie was bedoeld om de vrijgelaten slaven uit het Engelse imperium een nieuw thuis te bieden en om de wereld te laten zien dat vrije Afrikanen in staat waren om zelfstandig een staat te besturen en om in hun eigen levensonderhoud te voorzien.

De titel Rough Crossings geeft al aan dat de duizenden ex- slaven in geen van deze bestemmingen ongestoord van hun vrijheid konden genieten. Het koude Nova Scotia bleek weinig meer dan een harde, ongastvrije en primitieve wildernis te zijn en in Londen kwamen ze in het doodarme proletariaat terecht. Het boek verhaalt uitvoerig hoe het de groep is vergaan, die voor Sierra Leone had gekozen. In zijn ijver deze verwikkelingen zo smakelijk mogelijk te presenteren – en daar is de auteur een meester in – lijkt Schama te vergeten dat deze Afrikaanse kolonie voor de immigranten uit Noord-Amerika en Europa een moordend ziektemilieu kende, met een sterftepercentage van meer dan vijftig procent in het eerste jaar na aankomst. Rond 1780 waren de meeste ex-slaven in Noord- Amerika al niet meer uit Afrika afkomstig en niet immuun tegen tropische ziektes. In plaats van de vrijheid moeten de meesten in Sierra Leone de dood hebben gevonden. De voorstanders van de afschaffing lieten zich door al deze rampen niet afschrikken. Het einde van het slavernijsysteem zou toch alleen maar voordelen met zich brengen?

Was het maar waar, want dan zou de sombere saga van slavenhandel en slavernij toch nog een happy ending hebben gekregen. Maar het duivelse aan de slavenbevrijding is het feit, dat die vrijheid vaak een scherpe daling van het inkomen met zich bracht. Daarop hadden de abolitionisten niet gerekend. De grote econoom Adam Smith zelf beweerde dat de plantages, waar de meeste mensen niet hun eigen belang konden najagen, erg inefficiënt waren, omdat er achter elke slaaf een opzichter met een zweep moest staan. Alleen met vrije arbeid had de economische groei in Engeland en Schotland zo'n grote vlucht kunnen nemen. In een slaveneconomie was dat niet mogelijk.

Adam Smith had het bij het verkeerde eind. Soms kon vrije arbeid meer economische groei opleveren dan slavenarbeid, maar dat was lang niet altijd het geval. In de koloniale exportlandbouw was slavernij in ieder geval efficiënter. Na de afschaffing ging dat voordeel verloren, want de ex-slaven wilden niet langer als vrije landarbeiders op de plantages blijven werken. Het liefst maakten ze zich zo snel mogelijk zelfstandig en namen ze genoegen met een leven als kleine keuterboertjes. Daarmee konden ze weliswaar in hun levensonderhoud voorzien, maar veel meer ook niet. Als slaaf op de plantage was hun inkomen vaak hoger geweest. Een deel van de plantagewinsten ging weliswaar naar de investeerders en planters, maar in de loop der eeuwen waren de slaven erin geslaagd om zich ook een deel toe te eigenen door stakingen, verzet, onderhandelen en weglopen. Die tactiek samen met de groeiende druk van de abolitionisten in Europa noodzaakten steeds meer planters om te investeren in betere huisvesting, medische verzorging, kinderoppas, verlof bij zwangerschap, betere voeding en duurdere kleding.

De zeer winstgevende verbouw van koffie, katoen en suiker maakte dat mogelijk, maar daar wilden de meeste slaven na hun vrijverklaring nu juist niets meer mee te maken hebben. Bovendien ontdekten de ex-slaven tot hun schrik dat ze voortaan niet alleen in hun eigen levensonderhoud moesten voorzien, maar ook in dat van hun familieleden, die niet konden werken zoals hun jonge kinderen, hun zieke ooms en tantes en hun bejaarde ouders. Die werden vroeger ook door de plantage verzorgd.

Dat de vrijheid zo'n hoge prijs had, zorgde voor veel teleurstelling, frustratie en soms zelfs voor opstanden. Geen wonder dat de meeste auteurs hun verhaal over dit onderwerp het liefst afsluiten met de feestdag, waarop de slavenbevrijding een feit was. De vele dissonanten uit de periode daarna laten ze liever voor wat ze zijn.

Hochschild vormt daarop geen uitzondering en in dat opzicht is het boek van Schama eerlijker. Door de nadruk te leggen op de politieke en biografische aspecten van het afschaffingsverhaal blijft Hochschild te zeer gevangen in het beperkte kader van de abolitionistische successen. Schama's cultuurhistorische, inlevende aanpak van Rough Crossings laat de wereld zien achter die façade en geeft tegelijk aan dat voor de ex-slaven de afschaffing in economisch opzicht niet goed kón aflopen. Het droevige lot van de overgelopen slaven uit de Amerikaanse onafhankelijkheidsoorlog paste niet in de afschaffingscampagne en daarom werd erover gezwegen. Niet de feiten, maar ideologische bevangenheid deed William Wilberforce, Adam Smith en hun miljoenenaanhang geloven dat de slaven het na hun vrijlating als een content and happy peasantry veel beter zouden krijgen dan voorheen.

Simon Schama: Rough Crossings. Britain, the Slaves and the American Revolution. BBC books, 464 blz. €37,49

Adam Hochschild: Bevrijd de slaven! Het verhaal van de eerste mensenrechtencampagne. Uit het Engels vertaald door Ankie Klootwijk en E. de Boer. Meulenhoff, 477 blz. €27,50. Oorspronkelijk verschenen als Bury the Chains. Prophets and Rebels in the Fight to Free an Empire's Slaves. Houghton Mifflin, 480 blz. €26,99