Handige opsodemieter

Hoe gaat het met het slimme schoffie Carlos, nu de orkaan Stan in Guatemala heeft huisgehouden?

Op één dag bereiken ons twee noodkreten uit Guatemala, waar Stan genadeloos heeft toegeslagen. Ze komen van vrijwilligers die we via de Nederlandse ambassade hebben ontmoet. Pieter van Nistelrooij, een Brabantse boerenzoon die indiaanse boeren schoolt zodat ze een beter bestaan kunnen opbouwen, mailt ons: `Verwacht wordt, dat er alleen al onder de modderstroom, die Panabaj, Tzanchaj en een deel van Santiago Atitlán bedolven heeft, tweeduizend doden begraven liggen. De stank is niet te harden. Mogelijk wordt het hele gebied tot `kerkhof' verklaard en zal men de doden met rust laten en zullen er alleen doorgaande wegen gemaakt worden. Maar wat moet ik me daarbij voorstellen?'

De andere mail komt van twee jonge vrouwen: Carolien van Heerde en Liesbeth Batelaar, die huisjes met golfplaten daken laten bouwen voor arme Guatemalteekse gezinnen. Hun doelgroep is zwaar getroffen: `De allerarmsten wonen op de meest kwetsbare plaatsen zoals berghellingen en bij rivierbeddingen'.

We weten hoe het er was voordat Stan dood en verderf zaaide. Vorig jaar rond dezelfde tijd deden we Santiago Atitlán aan tijdens een rondvaart. Evenals Panabaj en Tzanchaj ligt het dorp aan een lagune van het betoverende, door vulkanen omringde Lago de Atitlán, dat onder de snel wisselende luchten steeds van kleur verandert. Op de steile oevers van het meer wonen de nazaten van indianen, die de Spanjaarden er nooit helemaal onder hebben gekregen. Elke plaats, zelfs het kleinste dorp, heeft zijn eigen klederdracht. Het is de nasleep van een maatregel die de overheersers de indianen oplegden, zodat ze konden zien waar ze vandaan kwamen. Toen in 1990, tijdens de burgeroorlog, het leger dertien dorpelingen afslachtte, sloegen de inwoners van Santiago Atitlán de gehate burgerwacht uiteen. De wonden zijn nog niet geheeld.

Carlos, de jongen die zich bij de aanlegsteiger van het dorp als gids aandient, heeft het niet meegemaakt. Hij is pas twaalf jaar. Het is een handige opsodemieter. Voor zijn diensten zet hij zo hoog in, dat we meteen door willen lopen, maar hij heeft twee ijzers in het vuur. Hij belooft ons naar de schuilplaats van Maximón te brengen en we hoeven maar de helft van de prijs te betalen als we nog twee andere toeristen weten te strikken. Maar mondje dicht hè? Een Zweeds echtpaar laat zich overhalen. Wij hebben over Maximón gelezen en vertellen de Zweden onderweg wat ze kunnen verwachten. Maximón duikt overal in de hooglanden van Guatemala op in een andere gedaante en onder een andere naam. Hij is zowel heilige als afgod. In de meest christelijke versie heet hij San Simón, in de meest heidense Ry Laj Man, een naam die nog uit de Mayatijd stamt. In Santiago Atitlán heet hij dus Maximón.

Onze uitleg vergt extra inspanning, want het kost ons moeite om Carlos, die als een klimgeit tegen de helling oprent, bij te benen. Af en toe blijft hij staan en gebaart dat we op moeten schieten. Er wachten meer klanten – al zegt de slimmerd dat niet.

Maximón woont elk jaar in een ander huis om de boze geesten op een dwaalspoor te brengen of vanwege het machtsevenwicht; daar zijn de geleerden het nog niet over eens. Eindelijk, als Carlos ergens een doek voor een deur opzij trekt, krijgen we Maximón te zien. De heilige is van hout. Hij is gehuld in kleurrijke sjaals en dassen, draagt een zwarte hoge hoed en heeft een dikke sigaar in zijn mond. Er branden kaarsjes in allerlei kleuren. Ook liggen er offerandes zoals sigaretten, rum en muntjes. We mogen van de bewakers van het heiligdom een foto maken, een bankbiljet onder zijn bretels steken, bidden en rondkijken. Als tegenprestatie krijgen we een glas limonade. We staan al gauw weer buiten.

Carlos wil dat we een foto van hem nemen. Hij vraagt een schandalig bedrag. We voorspellen hem een grote toekomst als zakenman. Maar ja, nu Stan is langsgekomen, dreigt zijn dorp een doorgaande weg te worden. Zou hij nog in leven zijn?