Gelouterd door het stille leven

`Dood aan de recensenten' luidden de eerste woorden van een column van Herman Franke in de Volkskrant van twee weken geleden. De soep werd niet zo heet gegeten als hij werd opgediend – Franke citeerde slechts Goethe – maar de schrijver verbaasde zich over de `spiegelbeeldige' besprekingen van de nieuwe roman van Bernlef. NRC Handelsblad vond de eerste helft niet om door te komen en prees de tweede helft, de Volkskrant vond juist dat het tweede deel de magie uit de vertelling haalde. Franke had De onzichtbare jongen toen maar eens zelf gelezen. `De roman onttrok zich superieur aan feiten en bewijzen,' concludeerde hij. En: `Literaire waarheid bestaat niet. Dus mijn vonnis zou moeten luiden: dubbele vrijspraak.'

Grappig genoeg stond niet ver van Frankes column een bespreking van Normale dagen van (toneel)schrijfster Esther Gerritsen die zijn betoog prachtig illustreerde – tenminste, voor mij. Recensent Arjan Peters toonde zich enthousiast over `deze uitzonderlijke roman', waarin `het ogenschijnlijk afwezige drama voelbaar wordt doordat de hoofdpersoon besluit het [...] effectloos, onaangetast te laten bestaan.' Nu verbaasde ik me. Ik had Normale dagen die week met moeite uitgelezen en net de conclusie getrokken dat het verhaal van Lucie Verhagen, die voor het sterfbed van haar grootvader terugkeert naar het huis waar zij opgroeide, bovenal saai was. De `ingehouden humor' en de ontroerende beschrijvingen die Peters erin had aangetroffen, waren mij ontgaan.

Is Normale dagen dus ook een roman die zich `onttrekt aan feiten en bewijzen'? Alleen al de beroepseer van de literair recensent gebiedt te zeggen van niet. Laten we om te beginnen iets uitvoeriger zijn over het verhaal dat Gerritsen (1972) vertelt. Haar Lucie is een tobberig stadsmeisje dat werkt aan een toneelstuk over Timothy McVeigh, de `gewone' Amerikaanse jongen die, overmand door zijn eigen theorieën, in 1995 een bom legde in een overheidsgebouw. Dan krijgt ze een telefoontje van haar grootmoeder, door wie ze na de dood van haar ouders is opgevoed maar die ze al drie jaar niet meer heeft gezien. Haar grootvader is stervende en ze wordt terugverwacht in de boerderij in het dorpje aan de Waal, waar haar jeugd in rust en onbeduidendheid voorbijging. Lucie gaat, en ontdekt niet alleen dat het is alsof ze nooit is weggeweest, maar ook dat haar komst geen verandering brengt: `Alsof ze een vijver instapte en geen kringen in het water zag verschijnen.'

Het enige dat verandert door de `normale dagen' die Lucie in het grootouderlijk huis doorbrengt, is Lucie zelf. Verzet zij zich aanvankelijk nog tegen het milieu en de instelling van haar grootouders (voor wie `de bestaande wereld de zichtbare wereld [was], niet de denkbare'), al gauw leert ze de zwijgzaamheid en de rituelen van haar grootouders waarderen. Uiteindelijk, na de dood van haar grootvader, raakt ze er zelfs van overtuigd dat McVeigh nooit terrorist was geworden als hij voeling had gehouden met het normale leven; en ook dat zij `niet dezelfde fout [mag] maken die McVeigh maakte, die dacht in een verhaal te leven waarin mensen geen mensen waren maar symbolen'.

Lucie wordt dus gelouterd door het onbewogen leven in de Overbetuwe. Op zichzelf is dat genoeg voor een goede roman, denk maar aan De avonden, waarin Frits van Egters in een tijdsbestek van tien dagen – en aanschoppend tegen de burgerlijkheid van zijn ouders – eenzelfde catharsis doormaakt. Ook in De avonden van Reve gebeurt weinig, maar dat vind je als lezer niet erg omdat het boek onweerstaanbaar grappig is. Gerritsen is geen humoriste; sterker nog, wat ze Lucie laat denken is van een dodelijke ernst, die nauwelijks doorbroken wordt door de laconieke manier waarop ze de confrontaties tussen Lucie en haar grootmoeder beschrijft. Lucie is net als de andere hoofdpersonen uit de boeken van Gerritsen (de verhalenbundel Bevoorrecht bewustzijn en de roman Tussen Een Persoon) een cerebraal type, iemand die in haar gedachten opgesloten zit. Dat levert maar al te vaak bloedeloze passages op als `Het moment waarop haar grootvader zijn koffie niet vast kon houden, was meteen het moment waarop hij definitief afscheid nam van zo'n handeling'.

Er staan wel lelijker zinnen in Normale dagen (`Ze sprak door het nieuws heen vanwege dezelfde reden waarom ze zelden een boek uitlas'). Maar ook die hoeven een geslaagde roman niet in de weg te staan wanneer het proza of de plot op een of andere manier sprankelt – hetgeen niet het geval is. Of wanneer de hoofdpersoon zó sympathiek of tragisch is dat het je iets kan schelen wat haar overkomt. Maar Lucie is het soort persoon bij wie je niet eens de neiging krijgt om te roepen Get a life! Een slechte basis om ontroering te voelen bij bijvoorbeeld de dood van haar grootvader of het talig onvermogen van haar familie.

Misschien heeft Herman Franke gelijk, en bestaat er inderdaad geen literaire waarheid. In zijn column verleende hij de recensenten vrijspraak, maar legde hij ze tóch een taakstraf op: herlezing van het boek. In dit geval mag duidelijk zijn dat dat voor een van de twee betrokkenen geen `milde straf' is.

Esther Gerritsen: Normale dagen. De Geus, 220 blz. €18,90 (geb.)