Een land van ditjes en datjes

Teleurstelling en frustratie, geklaag en verbittering. In de vijftien maanden die de Belgische journalist Rudi Rotthier kriskras door de Verenigde Staten reist, komt hij maar weinig Amerikanen tegen die een andere emotie laten zien. Rotthier, werkzaam bij De Morgen en in 2004 winnaar van de Bob den Uyl-prijs voor de beste Nederlandstalige reisjournalistiek met zijn boek De Koranroute, sprak busreizigers, bejaarden, immigranten, toeristen: en vrijwel allemaal mopperen ze, zo blijkt uit Het land dat zichzelf bemint.

Datzelfde beeld komt naar voren in de meest recente peilingen van onderzoeksbureau Gallup. Vraag een Amerikaan of het goed gaat met zijn land en ruim de helft antwoordt – sinds halverwege 2002 – `nee'. Het gaat slecht met de oorlog in Irak, het gaat slecht met de economie, met de regering, politici in het algemeen en met de hoge olieprijzen: in die volgorde. De Amerikanen zijn nog maar op één manier verenigd, en dat is in hun angst en zorgen, zo concludeerde The Washington Post na de presidentsverkiezingen van 2004.

Rotthier voelt dit haarscherp aan. Maar onder het laagje gemopper en geklaag schuilt altijd – en dat komt ook uit peilingen naar voren – het optimisme van de Amerikaan. De gemiddelde Amerikaan ziet zijn eigen leven consequent met vertrouwen tegemoet, heeft altijd het idee en vooral de hoop dat zijn leven erop vooruit zal gaan. Tegenslag ligt aan jezelf, niet aan de regering of aan anderen; je kunt jezelf verbeteren.

Juist dat menselijke, zeer Amerikaanse sentiment, komt bij Rotthier – die in tegenstelling tot gelijksoortige schrijvers opmerkelijk veel met `de gewone man' spreekt – alleen maar tussen de regels door naar voren. In Florida merkt hij zelfs dat `zodra de aspiratie is vervuld, je de limieten ervan [leert] kennen. Het gezeur van de teleurstelling, het gezeur van de overvloed, het gezeur om de latte die te veel of te weinig schuim bevat [...].' Het `bijna tastbare' optimisme uit zijn nawoord, is niet voelbaar in de rest van het boek.

Rotthier heeft een buitengewoon observatievermogen en een goede pen. Zijn beschrijvingen van het landschap, de sfeer, de taal en van de verschillen tussen steden en reizigers zijn scherp en herkenbaar. De zuidelijke tongval omschrijft hij prachtig: `Alsof tabakssap permanent en collectief een spraakgebrek heeft veroorzaakt, met tongen en wangen die rekkelijker zijn geworden dan elders, en die een fractie van een seconde te lang blijven hangen bij de vorige klank en nogal wat medeklinkers vergeten, de traagheid van het leven vormgegeven in de traagheid van de taal, de taal als een orale versie van de Hawaïaanse gitaar.'

Als een echte Europeaan wandelt hij in de brandende zon door steden die niet voor wandelaars zijn gemaakt, tot verbazing van omstanders. Hij rijdt – met zowel radiodominees en presentatoren als de conservatief Rush Limbaugh – in een huurauto door het verlaten landschap en laat zich in Greyhoundbussen en de trein inspireren door zijn vaak kleurrijke medereizigers.

Jammer genoeg heeft Rotthier nagelaten zijn gesprekspartners net zo indringend te portretteren als het landschap. Ze krijgen niet meer dan een enkele alinea. De manager van een motel nabij Los Alamos is daar een voorbeeld van. Rotthier vraagt haar wat er te beleven valt in het dorp: `Wel', zegt ze peinzend, `vanmorgen motregende het en leek een bui tot de mogelijkheden te behoren. Toen klaarde het op.' En dat was haar verhaal van de dag, vraagt hij. `Pretty much.' Dat vraagt om meer. Want wat doet ze daar, verlangt ze naar het bruisende leven elders of is ze tevreden met haar leven als manager en gebeurt er echt helemaal niets om haar heen? Maar weg is Rotthier, op naar `het volgende segment, de volgende tristesse.' Het is een lange optocht van passanten.

En wat zeggen deze korte portretten over de situatie in de Verenigde Staten? Rotthier noteert de gesprekken zonder commentaar, en spreekt vervolgens met hoogleraren, sociologen en andere deskundigen als de Amerikaanse schrijver T.C. Boyle en de journaliste Barbara Ehrenreich om ze in een context te plaatsen. `De wanhoop heeft met de politieke situatie te maken. Mensen worden depri van al het slechte nieuws', zegt Boyle, waarop Rotthier hem voorlegt dat de rode draad van Boyles boeken – waarin utopiëen altijd eindigen in misère en bloedvergieten – ook van toepassing is op Amerika onder Bush en ten tijde van oorlog.

Juist door zijn lange reiservaring, vooral door het Midden-Oosten, had je ook graag willen lezen hoe Rotthier de Verenigde Staten ervaart ten opzichte van de Arabische wereld. Halverwege licht hij wel een tipje van de sluier op: `Als ik elders rondreis, lijken de mensen altijd een soort beknopt verhaal van zichzelf te hebben, klaar voor de vreemdeling. [...] In vergelijking is dit veel meer een land van de ditjes en datjes, allicht ook wel met opsmuk en overdrijving, maar zonder essentie, zonder bewustzijn van samenhang, zonder pointe.'

Tot die essentie komt Rotthier pas in zijn nawoord. Hij meent dat de Amerikaanse religiositeit `anoniem en discreet' is, terwijl in de moslimwereld de kakofonische en ontroerende lokroepen een stempel op het leven drukken. En hij ziet dat beide werelden navelstaarderig zijn, niet uitblinkend in nieuwsgierigheid. Het zijn interessante conclusies, maar losgezongen van de rest van het boek kunnen ze niet meer – tenzij het boek wordt herlezen – getoetst worden.

Rudi Rotthier: Het land dat zichzelf bemint. Atlas, 463 blz. €22,50