De ware onoverwinnelijkheid

DüSSELDORF. Haar gehoest klonk als het blaffen van een ziek hondje. Om vier uur in de ochtend begon het, en een uur later was het aangezwollen tot een concert dat voor de dood leek te willen waarschuwen.

,,Dit is onmenselijk'', zei ik, ,,hoe kan ik zo slapen? Je hoest nog meer dan mijn moeder en die doet het ook alleen om de mensen te pesten.''

,,Zal ik in de andere kamer op de bank gaan liggen?''

,,Als je denkt dat het helpt.''

Ze vertrok naar de badkamer, nam ochtendjassen en handdoeken mee en nestelde zich in de andere kamer op de bank. Nog altijd kon men iemand zachtjes horen stikken. Maar het kindje naast me sliep door alles heen. Het hoesten van zijn moeder was voor hem niet meer dan het ratelen van een trein. Ik ging rechtop zitten. Ja, dit was Düsseldorf, ik was weer terug, terug met M. Gisteravond hadden wij gegeten met Ingoh, de dramaturg van het Schauspielhaus, voor wie ik ruim zeven jaar geleden een toneelstuk had geschreven.

September 1998 ging dat toneelstuk, getiteld You're also very attractive when you're dead in première.

Een week voor de première had ik mijn intrek genomen in Hotel Stern in Düsseldorf met C. We neukten ons suf. Wat misschien het beste is wat je kunt doen. Wat eten tussendoor. Een wandeling. Tot je je op een gegeven moment afvraagt, zoals iemand onlangs tegen me zei, met wie heb ik eigenlijk al die tijd liggen neuken?

Overdag woonde ik repetities bij, of schilderde wat in de hotelkamer. De verfspetters zaten op de muren, maar ik meende nu net dat die muur gemaakt was om door mij bespetterd te worden. Overmoed zou ik het niet eens willen noemen, een razernij was het, een triomf, het vermoeden eindelijk in het nu te zijn aangekomen. Toekomst en verleden waren op hun nummer gezet. De ware onoverwinnelijkheid bestaat uit één groot en geil nu.

's Avonds belde ik uit een telefooncel met M., mijn vriendin in Amsterdam, en gaf een vermakelijke maar gecensureerde versie van de gebeurtenissen van die dag. Het een sloot het ander niet uit. Je propt zoveel mogelijk levens in dat ene leven van je, als kleren in een koffer. Dan erop gaan zitten, dichtdoen en hopen dat hij niet kwijtraakt.

Ik had M. uitgenodigd voor de première van het toneelstuk, want naar de première van een toneelstuk dat je zelf geschreven hebt neem je je vriendin mee. In ieder geval zo dacht ik er toen nog over.

Het lag in de lijn der verwachtingen dat C. tegen die tijd discreet zou verdwijnen, maar hier toont zich de wreedheid van de Heer. De Schepper van hemel en aarde had C. op het idee gebracht om niet meer te vertrekken. ,,Ik blijf'', zei ze. In onze kamer in hotel Stern, waar inmiddels niet alleen de muren maar ook de vloer onder de verfspetters zat.

Onbegrijpelijk was de reactie van C. niet, want waarom zou je weggaan als je bezig bent je suf te neuken? Alle lust wil eeuwigheid.

Een tikkeltje laf, zoals ik nu eenmaal ben, liet ik het erop aankomen. De ware onoverwinnelijkheid laat het altijd op alles aankomen en komt dan toch ongeschonden uit de strijd.

Zo liep ik op een ochtend, het was prachtig herfstweer, naar het theater en werd bij de artiesteningang tegengehouden door de portier. ,,Er is iemand voor je'', zei hij. Ik wist genoeg.

,,Ga naar het café en wacht op me'', zei ik tegen C.

Boven in de kamer van Ingoh, zat M. op me te wachten, achter een kopje koffie. Ze had zich uitgedost als een vrouw op oorlogspad en Ingoh hield de conversatie gaande.

Na een kwartier lukte het me hem apart te nemen. Ik zei: ,,Luister, we hebben een hotel nodig. Misschien kun je me even helpen.''

Dat hotel bleek een probleem, want er was iets in Düsseldorf, als ik me niet vergis hadden alle schoenfabrikanten van de wereld zich in die stad verzameld, juist op het moment dat ik me onoverwinnelijk waande. Ook daaruit blijkt de wreedheid van de Heer.

Tegen M. zei ik: ,,Er is een probleem. Ze is er nog.''

Ze is er nog. Vier woorden die achteraf een heel leven terugbrengen tot de essentie. Altijd was er iemand nog, en naar het zich laat aanzien, zal er altijd iemand nog zijn. Je leeft met je spoken. Of je leeft niet.

,,Hoe bedoel je? Ze is er nog?''

,,Die vrouw'', zei ik, ,,je weet wel, ze is er nog, ze wil niet weg.'' Dat we ons in een roes van opperste verliefdheid hadden suf geneukt liet ik onvermeld, zoiets kan men zelf raden.

Daarna rende ik naar beneden, naar het café waar C. zat en zei: ,,Het duurt allemaal langer dan ik had gedacht. Hier heb je 100 mark, ga naar het hotel en koop iets lekkers.''

Ik zei het waarschijnlijk allemaal romantischer en charmanter. Maar daar kwam het op neer: ga naar het hotel en koop iets lekkers.

Dit was, het kan niet worden ontkend, het theater van de lach. Met figuranten onder bedden, de deur een eeuwig decorstuk, en de hotelkamer als de ware held van het verhaal. Probleem was dat het theater van de lach maar niet ophield, september 1998 was slechts de prelude, en bijkomend probleem was dat het lachen afstierf.

Toen C. was vertrokken begonnen M. en ik aan een wandeling door de stad die eindeloos duurde omdat er vanwege dat congres van schoenfabrikanten geen hotelkamer kon worden gevonden.

Welk compromis we ook zochten, welke belofte ik ook deed, welke retorische truc ik ook toepaste, het kwam erop neer dat zij alleen de nacht in een hotelkamer moest doorbrengen en ik terug zou gaan naar Hotel Stern waar C. naast de verftubes op me zat te wachten.

Zoiets was misschien onmenselijk, maar dat zag ik toen niet, want ik wilde de boel netjes oplossen, alle mogelijkheden openhouden, en me suf neuken, ook dat.

We liepen door de stad tot het begon te schemeren, wachtend op een telefoontje van Ingoh. Toen zei ze: ,,Ik blijf hier niet. Je moet maar zonder mij naar de première.''

Aan de ene kant vond ik dat een nederlaag, aan de andere kant was het ook rustgevend.

We liepen naar het station, allebei verslagen. Meer dan wat ook: verslagen.

En toen, tweehonderd meter voor de ingang, veranderde ze van mening. ,,Ik blijf wel'', riep ze. En ze werd gek. Ze werd helemaal gek. Ze begon zichzelf toe te takelen.

Ik pakte haar handen en riep dat ze daarmee moest ophouden, dat het zo'n vaart niet zou lopen, want betekende het nou eigenlijk dat je je suf neukte? Niets.

Op dat moment kwam een man voorbij, hij sloeg mij hard op mijn hoofd en riep: ,,Laat u die vrouw met rust.''

We schrokken allebei zo dat we vergaten door te gaan met de scène. We staarden de man aan. Een halve zwerver, een gek.

M. bleef. Zij ging mee naar de première. C. wachtte op mij in de hotelkamer.

En zo begon het theater van de lach, waar de deuren nog altijd openzwaaien, de hotelkamer de ware held is, en de gecensureerde versie de beste zal blijven. Alleen wordt er niet zo veel meer gelachen. Men luistert er naar Schubert, het verleden heeft zich ontpopt als onverbiddelijke cipier.

September 1998 was een scharnierpunt in mijn leven, iets veranderde toen, iets nieuws begon.

Bij het ontbijt was het hoesten verdwenen. Prachtig herfstweer, ook nu in 2005.

We wandelden langs de Rijn, het kindje in zijn wagen die we `de koets' noemen.

,,Je leven maakt me weemoedig'', zei M.

,,Dat hoeft niet.''

,,Misschien wil je zo leven.''

,,Ik denk het'', zei ik en ik keek op mijn horloge. ,,Het is bijna tijd. Ik breng jullie naar het station.''