Concurrent van wind en water

Met zijn zonsopgang in de hal van de Londense Tate Modern werd Olafur Eliasson wereldberoemd. Zijn nieuwe installatie, `Notion Motion', dwingt je na te denken over de manier waarop je de natuur kunt beïnvloeden.

'Weer is sfeer' moet Olafur Eliasson ooit hebben gedacht. Midden jaren negentig maakte de IJslander, van wie nu onder de titel Notion Motion drie grote installaties in Museum Boijmans te zien zijn, deel uit van een groepje kunstenaars die iets opmerkelijk probeerden. Gestimuleerd door opkomende begrippen als `belevingseconomie' `branding' en `loungen' zagen ze het kunstwerk niet langer als een autonoom object in een kale ruimte, maar als een proces, een sfeer waarin het publiek zich kon onderdompelen. Achteraf is de associatie die het sterkst bij die jaren opkomt `gekleurd tl-licht' – in dat licht werd rondgehangen, er werd gedanst, er werd naar ingewikkelde soundscapes geluisterd, maar ook werden er noedels en garnalen gekookt door kunstenaar Rirkrit Tiravanija, en kon de toeschouwer bij Carsten Höller met zijn hoofd onder een aquarium naar de dobberende vissen staren. Het was anders, het was kunst, maar het was vooral ook heel warm, gezellig en saamhorig – eerder gericht op vergeten dan op prikkelen, denk je achteraf.

Binnen deze groep was Eliasson al vanaf het begin een buitenstaander. Niet omdat hij niks met sfeer heeft, maar omdat er aan zijn werk altijd een enigszins harde, technische, natuurkundige kant zit. In zijn oeuvre zie je bij Eliasson nog steeds het jongetje doorschemeren dat zelfgemaakte parachutes van het balkon laat dwarrelen of een stuwdam in bad bouwt en dan verbaasd is dat de vloer onder water loopt. Al in 1993 creëerde hij in een tentoonstellingsruimte in Kopenhagen een kleine, permanente regenboog en in 2000 liet hij een container met de (niet-giftige) stof uranine in de Stockholmse Strömmen-rivier storten. Op het moment dat de uranine in aanraking kwam met het water, ontstond een brede helle, gifgroene baan in het water die traag richting stad vloeide – wat een prachtig maar ook enigszins beangstigend gezicht moet zijn geweest.

Met zulke projecten toonde Eliasson meteen waar zijn ambitie ligt. De IJslander neemt geen genoegen met het scheppen van tijdelijke sferen in gesloten zalen, hij denkt groter, ruimer, vermeteler. Eliasson wil naar buiten, wil de concurrentie aan met het water, de wind, de zon – eigenlijk een ongekend ambitieus streven voor een hedendaags kunstenaar. Maar Eliasson is daarin bepaald niet kansloos, zoals bleek uit zijn grootste en meest succesvolle werk tot nu toe: The Weather Project, beter bekend als `de zon', dat hij voor Tate Modern in Londen maakte. Bovenin de gigantische, ruim 35 meter hoge hal van de voormalige energiecentrale hing Eliasson een halve bol van (monochromatische) lampen die een diep, zachtgeel licht verspreidden. Dat licht werd weerkaatst in een plafondvullend spiegelvlak, waardoor de halve bol een hele werd, die vanaf een afstand de illusie van een zon opriep. Het was een subliem en spectaculair werk, vooral omdat Eliasson er prachtig in was geslaagd sfeer en techniek te combineren. Blijkbaar was de illusie van de grote bol, het zachte licht en de lichte nevel die Eliasson door de ruimte liet vloeien, zo krachtig dat de toeschouwers bij tientallen op de grond gingen liggen om te rusten, te piekeren, zich door het licht te laten prikkelen of naar zichzelf te staren in het spiegelplafond. Achteraf berekende de Tate dat `de zon' meer dan 2,2 miljoen bezoekers had getrokken – waarmee het werk meteen het onbetwiste hoogtepunt van de sfeerkunstgeneratie was.

Koesteren

Toch kun je je achteraf afvragen of Eliasson zelf wel zo gelukkig is geweest met zijn zon. Hoezeer The Weather Project ook een succes was, het werk leek volledig gericht op sfeer, op `lounge', op koesteren en vergeten. En dat terwijl Eliasson er juist altijd een eer in stelt om zijn publiek niet volledig in vergetelheid onder te dompelen. Daarom voorziet hij zijn projecten meestal van een dubbelzinnige kant: als je wilt kun je als toeschouwer precies zien hoe Eliasson zijn illusies optrekt. En precies dat lukte bij `de zon' maar half: de lampen waren weliswaar zo opgehangen dat je ook hun achterkant kon zien, maar doordat er weinig was dat je daartoe uitnodigde, bleven de meeste toeschouwers zich lekker verwarmen aan de stralen. Voor de spiegels gold iets soortgelijks: die hingen weliswaar vooral aan het plafond om van de halve bol een hele te maken, maar ze pasten ook perfect in de sfeer van ontspanning, rust en zelfreflectie die er in de ruimte hing – lekker liggen in de zon, staren naar jezelf en de wereld om je heen vergeten.

Precies dat doorslaan van de illusie zou wel eens de reden kunnen zijn waarom Eliassons huidige installatie in Museum Boijmans een stuk weerbarstiger is. Notion Motion bestaat uit drie werken die maar liefst zes grote zalen beslaan en die vormen gezamenlijk weer één grote installatie. Zoals vaker bij Eliasson speelt dit alles zich af in een mysterieuze duisternis; in de eerste ruimte is alleen de achterwand gevuld door een groot, licht scherm. Op dat scherm worden witte golven geprojecteerd – het zouden radiogolven kunnen zijn, maar ook de curven van een hartslagmeter, ware het niet dat ze daarvoor te onregelmatig van onder naar boven over het doek worden gestuwd. Wat het ook wezen moge, in ieder geval betrap je jezelf er als toeschouwer op meteen in die typische sfeerkunstroes te komen.

Dat gevoel verandert even als blijkt dat je de golven zelf kunt beïnvloeden: je springt of stapt op een van de zes wiggen in de houten vloer voor het scherm en meteen zie je van onderaf de golven over het doek spoelen. Dat is even een grappig effect maar, zoals bij veel interactieve kunst, het voelt ook als een zoethoudertje. De handeling die de toeschouwer mag verrichten is te triviaal om je het gevoel te geven dat je daadwerkelijk wat in te brengen hebt. Dat geldt ook voor het werk in de tweede zaal: een lange, rechthoekige bak met water en daarnaast een grote lamp die fel, wit licht verspreidt. Ook hier spring je op een wig, om te zien hoe een rubberen balk in de bak naar voren schuift en het water tot kleine golven opstuwt.

De enorme, strategisch geplaatste lamp projecteert die golven vervolgens als witte lichtcurven op de wand – kleine golven vlak boven de bak, levensgrote op de wand in de zaal erachter. En je staart naar die curven en naar de duisternis en die enorme, zoeklichtachtige lamp. Je staart nog eens en beseft dat het je allemaal nauwelijks iets kan schelen. Want ondanks Eliassons poging tot interactiviteit en alle theatrale middelen die hij inzet, kun je je als toeschouwer nauwelijks tot dit werk verhouden. Het water laat je koud, de golven blijven abstract; dit is geen kunst, maar een uit de hand gelopen natuurkundig experiment. Alsof het experimenterende jongetje ineens een heel groot bad ter beschikking heeft gekregen en het beeld spannend probeert te maken door met het lichtknopje te spelen.

Hoe langer je als toeschouwer door die eerste twee zalen heen en weer loopt, hoe duidelijker het wordt dat Eliasson worstelt met een curieus probleem: het probleem van fictie. Dat is alleen al wonderlijk omdat het hedendaagse kunstenaars zelden overkomt; de meesten zijn er niet in geïnteresseerd en als ze dat wel zijn, er alles aan doen om hun toeschouwers mee te slepen in hun wereld, slagen ze daar maar half in. Eliasson, daarentegen, lijkt die overgave bijna cadeau te krijgen. Het formaat van zijn werken, de theatrale effecten, het appèl op elementaire zaken als water, wind en weer, maakt dat de toeschouwers zich onmiddellijk aan hem uitleveren en zich als lamme varkens in zijn wereld onderdompelen, een wereld waarin Eliasson een sturende, bijna goddelijke rol vervult. En precies dat beeld moet Eliasson met afgrijzen vervullen. Niet alleen lijkt hij niet het type van een machtswellusteling (op foto's ziet Eliasson eruit als een hippie die zijn transformatie tot knuffelbeer met succes heeft voltooid), het doet hem ongetwijfeld ook denken aan de kunstenaars die zichzelf anderhalve generatie geleden een bijna goddelijke status aanmaten.

In die tijd begonnen Land Art-kunstenaars als Robert Smithson, Michael Heizer, Walter de Maria, James Turrell, die zich aanvankelijk presenteerden als deconstructivistische conceptuele kunstenaars, in de Amerikaanse vrije natuur enorme Land Art-werken op te richten. Zo bouwde De Maria een enorm veld van ijzeren palen waar de bliksem doorheen kon flitsen en groef Heizer enorme wiggen in het landschap; Turrell is al decennia bezig een uitgebluste vulkaan in het noorden van Arizona uit te graven tot het grootste kunstwerk aller tijden. Hoe bijzonder en groots zulke werken ook zijn, ze lijken ook bedoeld om te imponeren, om de toeschouwer te slaan met verbazing en nederigheid over de gecombineerde macht van de kunstenaar en de natuur. De kunstenaar als schepper naast God.

Bang

Dit soort megalomane projecten interesseert Eliasson niet. Sterker nog, hij lijkt er zelfs wat bang voor te zijn. Enerzijds omdat ze zo zelfingenomen zijn, anderzijds omdat ze een bewonderende indolentie oproepen waarin Eliasson niet is geïnteresseerd; hij wil zijn toeschouwers liever prikkelen, verwarren, aan het denken zetten. Vandaar ook de nadruk op de wijze waarop hij zijn werken maakt. Daarmee laat Eliasson niet alleen zien dat hij zich niet boven zijn publiek verheven voelt, maar wil hij het ook laten nadenken over verleiding en fictie, over de manier waarop het individu zich tot de natuurkrachten verhoudt, en over de manier waarop je de natuur mogelijk, hoe gering ook, kunt beïnvloeden. Het is een prachtig idee, heel democratisch, van een bijna ouderwetse welwillendheid, die getuigt van een groot geloof in de mogelijkheden en initiatiefrijkdom van de gemiddelde mens.

Maar de vraag is wel: gelooft die gemiddelde mens dat ook?

Voor de toeschouwers die geneigd zijn daar positief op antwoorden, en voor de kunstenaars die daar ook in geloven (dat zijn er vrij veel) moet Eliassons Boijmans-installatie een ontluisterende ervaring zijn. Want of Eliasson dat zelf nu bedoeld heeft of niet, Notion Motion is een groot pleidooi voor de sturende fictie, voor kunst die niet vrijlaat, maar dwingt - en dat komt door het derde, nog niet genoemde werk. Dit deel van de installatie staat aan het einde van de tentoonstelling: opnieuw een grote bak water, nu met een scherm erachter en een grote lamp ervoor, die via een soort raam over het water schijnt en de weerspiegeling van de golven op het doek projecteert.

Tot zover weinig opmerkelijks, ware het niet dat boven het water een spons aan een touwtje hangt. Die spons bungelt er wat sloom bij, schijnbaar doelloos ook, tot er na drie minuten een knarsend motortje begint te lopen. De spons wordt omhoog getrokken en losgelaten – met een klap valt hij in het water. Wat er vervolgens op het doek gebeurt is nauwelijks te beschrijven: alsof er een krater in het water wordt geslagen. Watervlagen slaan over elkaar heen, doorkruisen elkaar, stuwen elkaar op en vernietigen elkaar weer alsof in deze waterbak ter plekke een aquatische apocalyps losbarst. Het beeld is subliem in al z'n veelvormigheid en onbesuisdheid en het wordt alleen maar indrukwekkender als je beseft hoe nietig de gebeurtenis eigenlijk is die je gezien hebt.

Ook daarna blijft het spannend: langzaam worden de golven lager, ze bereiken kleinere toppen, slaan langzaam neer alsof ze zich klaarmaken voor een volgende knal. En terwijl je je eraan vergaapt, gebeurt nu wel wat in de andere twee werken uitbleef: ineens zinderen er tientallen gedachtes door je hoofd over water en beeld en licht en golfslag en tsunami's, al die gedachtes die Eliasson met die vorige werken zo krampachtig tot stand probeerde te brengen. Het maakt de installatie als geheel tot een pleidooi: je kunt je als kunstenaar nog zo aardig en democratisch tot je toeschouwers willen verhouden, soms heeft die er toch het meeste baat bij eenvoudig te worden weggeblazen. Alsof Eliasson zichzelf met dit derde deel dwingt tot de overtuiging dat de toeschouwer lang niet altijd de behoefte heeft om op hetzelfde niveau met de kunstenaar te staan, niet perse mee wil doen, dat hij graag wordt overweldigd – zolang hij zich maar serieus genomen voelt. Precies om die reden was Eliassons `zon' zo'n geweldig succes: dat werk bood de mogelijkheid tot wegdromen, tot het geloven in fictie, zonder de goddelijke arrogante dwang van de Land Art-kunst uit de jaren zeventig. In vergelijking met The Weather Project is Notion Motion voor tweederde mislukt. Maar aan de andere kant: het deel dat slaagt laat de toeschouwer met open mond achter.

`Notion Motion'is t/m 8 januari te zien in Museum Boijmans Van Beuningen, Museumpark 18-20, Rotterdam. Open: di t/m za 10-17u., zo 11-17u. Inl.: www.boijmans.nl