Bewegend vlees

Teylers Museum toont een uniek overzicht van 89 bladen met tekeningen van Michelangelo. Je ziet er hoe genie en talent bij elkaar komen.

De tientallen ignudi, naakte jongelingen, op het plafond van de Sixtijnse Kapel behoren tot de meest bewonderde en gekopieerde elementen van Michelangelo's schildering (1508-1512). Ze houden zittend, twee aan twee, met festoenen van repen stof bronskleurige medaillons op. Voor elk van hen bedacht Michelangelo een andere pose. De atletische lichamen draaien zich naar ons toe of wenden zich van ons af zodat we nu eens een borstpartij, dan weer een gespierde rug te zien krijgen. De variatie is oneindig.

Michelangelo tekende de ignudi naar levend model. De studies zijn van een ongelofelijke plasticiteit. Bijvoorbeeld waar Michelangelo met rood krijt in krachtige, donkere contouren de omtrek van het lichaam neergezet heeft. Binnen die grenzen modelleerde hij het lichaam door een grote rijkdom aan nuanceringen van licht en donker. De techniek is afwisselend: grove en zeer fijne arceringen, arceringen die kruisgewijs in elkaar overlopen, meer of minder druk op het krijt, het bevochtigen van het krijt om een nog donkerder schaduw te krijgen, ophogingen in loodwit op de billen en de kuit. Het resultaat is één en al bewegend vlees en spieren binnen de ferme begrenzing van de contouren.

Het gezicht en het hoofd liet Michelangelo, zoals in bijna alle tekeningen, onuitgewerkt. Om het lichaam ligt alle zeggingskracht besloten. In het oeuvre van Michelangelo is het menselijk lichaam het hoofdthema, als middel, of voertuig, om emotie uit te drukken. Het lichaam als metafoor. In het scheppingsverhaal op het plafond van de Sixtijnse kapel staan de verhevenheid en waardigheid van de mens centraal. Michelangelo verbeeldt het door een maximum aan elegantie en idealisering, met Adam, op het moment dat hij tot leven wordt gewekt, als hoogtepunt. Met een gespierde oerkracht rekt hij zich uit naar de vingertop van God. Behalve elegantie en verhevenheid is er ook zwaarte: Adam, en álle figuren, zijn zwaar en overrompelend fysiek. Zelfs een aanvliegende engel is loodzwaar.

Het lichaam was voor Michelangelo mannelijk. Dit ligt ook ten grondslag aan zijn vrouwenfiguren. Die zijn doorgaans androgyn van karakter, of ronduit mannelijk, met kogelronde borstjes eraan geplakt. Michelangelo had geen toegang tot vrouwelijke naaktmodellen, al was de werkelijke reden vermoedelijk zijn homoseksuele voorkeur. Maar ook al tekende hij naar model en observeerde hij mannen in badhuizen, de lichamen zijn geïdealiseerd en vaak afgebeeld in poses die in werkelijkheid onmogelijk zijn, zoals het passieve en tegelijkertijd zich extreem rekkende lichaam van Adam. Michelangelo zet de natuur naar zijn hand, zodat er een dramatische, fysieke spanning ontstaat.

Het perfecte lichaam, maar geen herkenbaar gezicht. Zo'n gezicht was te specifiek, niet algemeen genoeg. Te werkelijk. Michelangelo vond de portretkunst een onbenullig genre. Hij weigerde om portretten van zijn opdrachtgevers te maken. Zijn gezichten zijn zo geïdealiseerd dat ze anoniem, bijna abstract zijn. Of het zijn groteske maskers, verstard in een schreeuw of een grijns. Alleen bij hoge uitzondering tekende de meester een portret van een vriend, zoals een prachtige, zachte tekening in zwart krijt van de schuchtere adolescent Andrea Quaratesi (ca. 1528-32).

Drie collecties

In het Haarlemse Teylers Museum is een uniek overzicht te zien van 89 bladen van Michelangelo. Ze zijn afkomstig uit drie collecties: die van het British Museum in Londen (initiatiefnemer), het Ashmolean Museum in Oxford, en de verzameling van Teylers zelf. Het is voor het eerst dat zoveel bladen van Michelangelo zijn samengebracht. De meeste zijn voorstudies van bekende beeldhouwwerken en van bouw- en schilderopdrachten in Rome en Florence. De drie collecties vullen elkaar volmaakt aan. Zo is alles wat bewaard is gebleven aan studies voor de schildering van het Laatste Oordeel in de Sixtijnse Kapel (1536-41) nu bijeen. De studie van de schepping van Adam uit het British Museum hangt naast een blad met schetsen van de uitgestrekte arm van God uit Teylers Museum. Het bijzondere is dat de beschouwer een overzicht krijgt van het oeuvre en van de artistieke ontwikkeling van Michelangelo. Dit is normaal gesproken onmogelijk. Zijn werk bestaat immers grotendeels uit fresco's, grootschalige sculpturen en gebouwen.

De tekeningen in Teylers, 25 in totaal, zijn afkomstig uit het bezit van koningin Christina van Zweden. In 1654 deed zij, na 22 jaar heerschappij, vrijwillig afstand van de troon en verhuisde naar Rome. Zij had zich bekeerd tot het katholicisme en werd een gepassioneerd verzamelaar van Italiaanse kunst. Na haar dood in 1690 viel haar collectie uiteen. De Nederlandse kunstkenner en verzamelaar Willem Anne Lestevenon kocht de 25 bladen van Michelangelo in Rome voor Teylers Museum in 1790 van prins Livio Odescalchi. Ze waren in 1692 door de familie Odescalchi gekocht uit Christina's nalatenschap.

Teylers Museum was kort voor de aankoop van Lestevenon, in 1784, opgericht door de textielfabrikant en financier Pieter Teyler van der Hulst, als geschenk aan zijn geboorteplaats Haarlem. Het is het oudste openbaar toegankelijke museum van ons land. Het British en Ashmolean Museum danken hun tekeningen van Michelangelo voornamelijk aan het uiteenvallen van de grootste Engelse collectie tekeningen uit de geschiedenis, van de in 1830 overleden portretschilder Sir Thomas Lawrence.

Het Teylers Museum exposeert de kwetsbare bladen mondjesmaat. Met iedere tentoonstelling gaat hun conditie onherstelbaar achteruit. De bladen hebben individuele `lichtpaspoorten' waarin wordt bijgehouden wanneer ze tentoongesteld mogen worden. Van elke tekening is precies berekend hoe lang die, met welke exposure en bij welke hoeveelheid licht, nog mee gaat. Na de tentoonstelling in Teylers reist de tentoonstelling naar het British Museum. Daarna zullen ze vijf jaar lang niet worden geëxposeerd.

De tekeningen in Haarlem brengen de geweldenaar Michelangelo (1475-1564) heel dichtbij. Niet alleen in letterlijke zin, omdat je met je neus op de bladen staat en de tekenende hand kunt volgen, maar ook omdat de tekeningen veel laten zien van de denkwijze van de kunstenaar. Hij werkte met een ontzettende drift. Bijna een woede lijkt het, een tomeloze drang. De ideeën volgen elkaar razendsnel op, ze tuimelen kriskras over het vel papier. Dit tempo was ook nodig. Het plafond van de Sixtijnse Kapel schilderde hij in vier jaar, staand op steigers die hem het daglicht van de ramen benamen, dus werkend bij lamplicht, het hoofd in de nek. Kenners hebben nooit de hand van assistenten kunnen ontdekken. Michelangelo lijkt, onvoorstelbaar, alles eigenhandig geschilderd te hebben.

Michelangelo werkte altijd aan meer opdrachten tegelijk. Hij sprak steevast deadlines af waarvan hij van tevoren zou kunnen weten dat hij ze niet kon halen (met uitzondering van de Sixtijnse kapel), en raakte voortdurend in de problemen met zijn pauselijke opdrachtgevers. Hij kon niet delegeren, zijn ongeduldige en wantrouwende karakter stond hem, in tegenstelling tot bijvoorbeeld Rafaël, niet toe een atelier op te zetten.

Bekend is het drama rond het grafmonument voor paus Julius II. Hij kreeg hiertoe in 1505 de opdracht, maar al kort daarna verloor de grillige Julius II zijn belangstelling en daagde hem uit de Sixtijnse kapel te beschilderen. Naar het verhaal gaat was dit een kwaadaardige influistering van Michelangelo's rivaal, de pauselijke architect Bramante. Michelangelo was weliswaar als jongen kort in de leer geweest bij de Florentijnse schilder Domenico Ghirlandaio, maar hij beschouwde zichzelf nooit als schilder. Hij was beeldhouwer, architect en dichter. Bovenal was hij, zei hij zelf, autodidact. In de periode tussen het plafond en het Laatste Oordeel op de altaarwand van de kapel, 24 jaar lang, heeft hij inderdaad niet geschilderd.

De graftombe werd een slepende zaak, ook toen na Julius' dood het contract door de erfgenamen werd hernieuwd. Het uiteindelijke monument, waarvoor in totaal vijf contracten werden getekend en dat hem tot 1545 zou bezighouden, was een zeer verkleinde versie van het monument met veertig sculpturen dat hem voor ogen had gestaan. Het is the story of his life: een groot deel van de projecten van Michelangelo – van de voorstudies voor de Slag bij Cascina (1504) tot de Medici-kapel en de gevel van de San Lorenzo in Florence – is onvoltooid gebleven. Michelangelo's onrust, zijn geïnspireerdheid, de uitzonderlijke combinatie van genialiteit en talent, dit alles wordt tastbaar in de tekeningen.

Het tekenen lag aan de basis van zijn kunst. Michelangelo moet vele duizenden tekeningen hebben gemaakt. Er zijn er maar zo'n 600 bewaard gebleven. Het precieze aantal staat niet vast, omdat de discussie over de authenticiteit voortdurend onderwerp van discussie is. Michelangelo signeerde zijn schetsen niet. De tekening had in zijn tijd nog niet de status van zelfstandig kunstwerk. Desalniettemin waren de bladen van Il Divino, zoals Michelangelo al tijdens zijn leven werd genoemd, fel begeerd door verzamelaars en kunstenaars. Reden voor Michelangelo om zijn bladen angstvallig te bewaken, en, wanneer ze niet meer nodig waren, te vernietigen. De zeldzame keren dat hij een tekening schonk, deed hij dit onder de voorwaarde dat de bezitter de tekening niet aan een ander zou laten zien. Naar verluidt heeft hij nog tijdens de laatste dagen van zijn leven de in zijn atelier aanwezige tekeningen verbrand.

Schetsen

Iedere opdracht begon met schetsen, de primi pensieri, de `eerste gedachten'. Hiermee ging Michelangelo door tot de compositie van het schilderij, de pose van de gebeeldhouwde figuur of het ontwerp van het hele gebouw vaststond. Vervolgens werkte hij dit uit in een langdurig proces, hij tekende details, afzonderlijke lichaamsdelen, lichtval, enzovoort. De studies voor de lichtval zijn vaak zó precies, dat bijvoorbeeld in de tekeningen van de marmeren beelden voor de Medici-kapel, van de Dag en de Nacht, de Dageraad en de Schemering, te zien is hoe de lichtval op het marmer in de kapel daadwerkelijk zal zijn. Hetzelfde geldt voor de studies voor de fresco's in de Sixtijnse kapel: bij het schetsen hield Michelangelo al rekening met de positie van een bepaalde figuur ten opzichte van de lichtval door het raam. Meesterlijk is de manier waarop hij lege plekken van het papier gebruikt als hoogsel, als lichtplek.

Op de tentoonstelling is goed te zien hoe Michelangelo zijn stijl ontwikkelde van een harde, analytische manier van tekenen naar een soort doezelige zachtheid, die uiteindelijk gepaard gaat met een verinnerlijking van zijn thematiek. In het vroege werk gebruikte hij nog pen en inkt, later werkte hij met het zachtere krijt, ook in de architectuurtekeningen. Die architectuurtekeningen zijn een categorie apart en vormen een hoogtepunt op de tentoonstelling. De dramatische spanning die Michelangelo bereikte bij menselijke figuren creëerde hij ook in zijn architectuur, zoals in de Biblioteca Laurenziana in Florence. De ruimte wringt, beweegt, van het harmonieuze evenwicht van de Renaissance is hier geen sprake meer, en in feite vindt Michelangelo hier het Maniërisme uit. De tekening van een raam voor het Palazzo Farnese in Rome is van een visionaire kracht en laat verschillende stadia zien, van de transformatie van een raam (getekend in 1547-49) in een nis voor een sculptuur (bewerkt in 1560-64).

Ontroerend mooi is een reeks late tekeningen van kruisigingen die Michelangelo waarschijnlijk voor zichzelf heeft gemaakt. Almaar werkte hij er, als een soort devotie-arbeid, aan door. In het vroege werk symboliseerde het lichaam menselijke kracht, sensualiteit en waardigheid (David). Later, bijvoorbeeld in het Laatste Oordeel, waarvan de emotionaliteit moeilijk los te denken is van de Contrareformatie, symboliseerde het lichaam de tweestrijd tussen levenskracht en angst voor de dood, tussen lichaam en geest. In een prachtige tekening van een Bewening, gemaakt voor de bevriende Vittoria Colonna, is het lichaam van Maria zowel `Christus' bed als zijn sarcofaag', zoals Colonna in een dankbrief schreef. Tenslotte, aan het eind van het leven van Michelangelo, was er verinnerlijking, en werden de lichamen bijna transparant. Net als de aangrijpende, onvoltooide sculptuur die Michelangelo voor zijn eigen graf maakte, de Pietà Rondanini, spreken deze laatste tekeningen van een grote religieuze intensiteit. Hier is Maria niet langer bed of sarcofaag, ze kan het dode lichaam niet meer ondersteunen. Beiden zijn gewichtloos geworden.

Michelangelo: tekeningen. T/m 8 januari in Teylers Museum, Spaarne 16, Haarlem. Di-zo 10-18 uur. Ticketvoorverkoop: www.ticketshaarlem.nl. Cat.: Hugo Chapman: Michelangelo, de hand van een genie, 320 blz., €34,50.