Overnamemachines

Vorige week stond in de Volkskrant een foto van een reuzenpython in de Everglades die had geprobeerd een alligator te verzwelgen. Het verzwelgen was gelukt, maar naderhand bleek de prooi een maatje te groot voor de slang. Hij was gebarsten, en als de alligator nog geleefd had, had hij er zo uit kunnen kruipen.

Het trof me als een mooi beeld van een uit de hand gelopen overnamepoging. De kop van de slang had bedacht dat het een goed idee zou zijn de alligator te verschalken. Of beter, de kop had helemaal niets gedacht, die was gewoon afgericht op spieden, pakken wat je kunt, en slikken. De rest vond hij bijzaak, dat was een kwestie van verteren en assimileren. Daar hadden de lagere functies zoals maag, darmen en klieren voor te zorgen. Dat die dat niet aankonden was zijn probleem niet – dacht hij.

Het deed me denken aan de hardnekkige pogingen van Oostenrijk eerder in de week om de voortdenderende trein van EU-onderhandelingen met Turkije te stoppen.

Of aan de manier waarop schrille signalen proberen door te dringen tot het hoofdkantoor van het voormalige uitgeversconcern VNU. Dat wil 5,9 miljard euro uitgeven voor het geneesmiddeleninformatiebedrijf IMS Health, maar een aantal grote aandeelhouders vindt dat geen goed idee. In beide gevallen lijkt het erop dat de hoofdkantoren iets bedacht hebben waar aandeelhouders en lagere functies niet aan toe zijn.

,,Onderbuikgevoelens'', mopperen de hoofdkantoren vervolgens, en ze maken duidelijk dat het geen pas geeft die te hebben of ernaar te luisteren. Dat de lagere regionen er intussen last van hebben dat het hoofd zo in de wolken verkeert, dat dringt niet door.

Het hoofd is een merkwaardig ding. Zelf kan het geen stap verzetten, maar het gaat ervan uit dat alles en iedereen bereid is het op commando naar elke willekeurige bestemming te brengen. Zo lijkt het vaak vooral een grote mond en niet veel meer. Een mond die praat, bijt en opslokt, terwijl de beweging en de energie van de lagere regionen moeten komen. Het hoofd vindt dat heel normaal: ze moeten daar gewoon hun werk doen, en niet kletsen want daar was het hoofd beter in.

De organisatie als slokop met indigestie. Veel spectaculaire bedrijfsongevallen zijn terug te voeren tot deze diagnose. Ahold werd in de tijd van topman Van der Hoeven bejubeld als ,,geoliede overnamemachine''.

Overnemen is vaak iets voor het hoofdkantoor en de bestuurstop. Het is spectaculair trapezewerk in de nok van het financiële circus, dat applaus oplevert en toegang tot de wereldtop van advocaten en bankiers. Waardering op topniveau is een koppig drankje, zeker voor bestuurders die niet door de rangen van hun bedrijf zijn opgeklommen. Waardering voor vakmanschap zullen ze niet krijgen, want wat wist bijvoorbeeld Van der Hoeven over hoe je een winkel runt?

De verleiding is dan groot om je ergens anders te laten bejubelen, ook al is het betaalde liefde. Zo ging Ahold bijna kapot. Ook Parmalat, Worldcom en Enron waren buitengewoon goed geolied, en geleid door briljante overnemers. Er was daar nog wel wat meer fout, maar zonder de overnames waren het nooit zulke megadebacles geworden.

De lijst is veel langer, en zal blijven groeien.

Een verhoogd risico is een bestuur dat er een aparte functionaris of afdeling op na houdt voor M&A – mergers and acquisitions, ofwel fusies en overnames. Wie is ingehuurd voor M&A voelt zich natuurlijk verplicht om te M&A'en. Met pythonsblik speurt hij het landschap af naar mogelijke prooien, maar hoe die prooi verteerd moet worden is andermans zorg.

Zo is bij de EU één eurocommissaris, Olli Rehn, volgens zijn eigen website ,,verantwoordelijk voor het uitbreidingsbeleid van de Europese Unie''. Van iemand met zo'n taakomschrijving kun je geen aanbeveling verwachten dat Europa voorlopig klaar is met uitbreiden. Bovendien geeft hij leiding aan een bureau dat al jaren aan onderhandelingen, convergentietijdpaden en toetredingsprotocollen zijn bestaansrecht ontleent en daar buitengewoon geolied in is geworden. Die mensen gaan niet hun baan overbodig maken.

Maar de buik speelt op. Bij ondernemingen zijn het aandeelhouders die niet vertrouwen dat de volgende overname hun voordeel zal brengen. En het zijn de werkers en managers van bestaande bedrijfsonderdelen, die geld en aandacht tekortkomen en opdraaien voor het prozaïsche harde werk van het integreren – als het al zover komt. In de EU zijn het sceptische stemmers die vragen wat voor hen de voordelen van de volgende uitbreiding zijn, en daar niet een antwoord op krijgen dat overtuigt. De lagere regionen, de buik en de benen en de spieren van Europa, vragen om aandacht.

,,Overstretch'' noemde J.J.A. van Doorn afgelopen zaterdag in deze krant de uitbreiding van de EU in 2004 tot 25 lidstaten, en ik moest weer aan die gebarsten, overgestretchte python denken. Hoe lang zou de kop nog geleefd hebben, verbijsterd dat die stomme onderbuik niet aankon wat hij met zulk spectaculair succes had opgeslokt? Overnamemachines zijn prima, zolang de buik maar mag aangeven waar de grens van de opnamecapaciteit ligt.