Jane

Een beetje melancholiek kon je er wel van worden, toen Jane Fonda gisteren de trap van de Amsterdamse bioscoop Cinerama afdaalde om een persconferentie te geven. Jane leunde op een zilverkleurige stok, terwijl ze ook nog steun zocht bij Rien Hagen, de directeur van het Filmmuseum. Zo naderde ze voetje voor voetje haar gehoor. `Hanoi Jane' was `Cane Jane' geworden. Mét een nieuwe heup.

Alsof de directe omgeving al niet droevig genoeg was: Cinerama, een bioscoop die opgegeven is en zal moeten plaatsmaken voor een theater van Joop van den Ende. Oude filmglorie, voorgoed voorbij.

Halverwege de persconferentie moest een juffrouw van de organisatie interrumperen met een dringende mededeling aan Jane over haar hond. Jane luisterde bezorgd. ,,Ik ben erg bang'', zei ze. De hond, vermoedelijk óp van de zenuwen en de jetlag, had meteen na binnenkomst over haar kleren gekotst. Nu lag hij ergens in het gebouw bij te komen, onrustig wachtend op het vrouwtje dat weer eens iets moest promoten, ditmaal de Nederlandse vertaling van haar boek My Life So Far.

Die hond bleek, emotioneel gezien, het belangrijkste houvast in Jane's dagelijkse leven geworden. Het was afgelopen met de woeste minnaars.

,,Ik leef alleen met mijn hond'', zei ze. ,,Natuurlijk hoop ik nog eens verliefd te worden, je weet het nooit.'' Om er in één adem aan toe te voegen, alsof ze niet alleen ons, maar ook zichzelf gerust moest stellen: ,,Maar ik heb me nog nooit completer gevoeld dan nu, ik sta dichter bij mijn kinderen en vrienden dan vroeger.''

Ze had haar boek geschreven om haar 67-jarige leven te overzien en rekenschap af te leggen. Want ze had haar christelijke wortels herontdekt en er viel wel enige boete te doen. ,,Ik ben een zondaar.'' En: ,,Ik was bang dat ik dood zou gaan met spijtgevoelens.''

Spijt waarvan? Een hele waslijst. Spijt van de verwaarlozing van haar dochter; spijt van één bepaalde, al te anti-Amerikaanse geste in Noord-Vietnam; spijt, dat vooral, van de manier waarop ze zich door haar mannen had laten ringeloren. ,,The disease to please'', noemde ze het. Vrij vertaald: jezelf verlagen om te behagen.

Het zat haar nog steeds geweldig dwars dat ze al die jongens zó in de watten had gelegd: Andreas Voutsinas, Roger Vadim, Tom Hayden, Ted Turner en hoe ze nog meer heten. Een rijtje dat ooit was begonnen met haar veeleisende vader, de acteur Henry Fonda, met wie ze pas tegen het einde van zijn leven in het reine was gekomen.

Ze hoopte dat vooral vrouwen van haar boek zouden leren, want er waren er nog zó veel die aan de behaagziekte leden. In haar boek beschrijft ze hoe haar echtgenoot Roger Vadim, de Franse regisseur, haar overhaalt tot een triootje met hem en een hoer. Een lezeres had zich getroost gevoeld door die passage, ze had ook dergelijke ervaringen achter de rug.

Was het niet schokkend voor de familie om die dingen te moeten lezen? ,,Nee'', zei Jane, ,,ik had het al allemaal verteld.''

Als je maar alles vertelt, komt het weer goed. Openhartiger dan ooit keerde ik huiswaarts. Had Jane niet gezegd dat haar boek ook goed was voor mannen?