Franse ex-diplomaat verdacht van corruptie

Hoge Franse diplomaten worden ervan verdacht betrokken te zijn bij corruptie rondom het Olie-voor-voedsel programma van de VN.

Het Franse ministerie van Buitenlandse Zaken is in verlegenheid gebracht, nadat gisteren een tweede ex-diplomaat in staat van beschuldiging is gesteld op verdenking van fraude rond het Olie-voor-voedselprogramma van de VN voor Irak onder Saddam Hussein. Het gaat om de 68-jarige Jean-Bernard Mérimée, tussen 1991 en 1995 de Franse ambassadeur bij de Verenigde Naties en sinds 1998 gepensioneerd. Hij wordt ervan verdacht in 2001 illegaal voor twee miljoen dollar aan olie te hebben doorgesluisd van het regime van Hussein naar het Franse oliebedrijf Fenar Petroleum. Daarover zou hij persoonlijk commissie hebben ontvangen.

Mérimée figureerde al langer op de lijst van mogelijke betrokkenen in een VN-rapport over fraude met het Olie-voor-voedselprogramma. Dat programma bood tussen 1996 en 2004 Saddam Hussein de gelegenheid olie te verkopen in ruil voor voedsel en medicijnen voor de Iraakse bevolking, terwijl de handelsboycot gehandhaafd bleef.

Het zijn niet alleen Fransen die zouden hebben geprofiteerd van illegale handel in de marge van dit programma. En het zijn ook niet alleen ex-diplomaten die figureren op de lijst van elf mogelijke betrokkenen waar de onderzoeksrechter Philippe Courroye zich in Frankrijk op richt. Het eindrapport van de onafhankelijke commissie-Volcker voor de VN over misstanden rond het Olie-voor-voedselprogramma wordt binnen enkele weken verwacht. Merimée is de tweede Franse ex-diplomaat die in verband hiermee in staat van beschuldiging is gesteld. Vorige maand gebeurde dat met Serge Boidevaix (77), tot zijn pensionering in 1993 onder meer secretaris-generaal van het ministerie aan de Quai d'Orsay.

Maar het is vooral door de betrokkenheid van de ex-diplomaten dat de kwestie nu pijnlijk wordt voor de Franse regering, die vreest dat een verband wordt gelegd tussen de beschuldigingen en het verzet van de regering tegen de oorlog tegen het Irak van Saddam Hussein in 2003. Gisteren zag de woordvoerder van het Quai d'Orsay zich gedwongen dat verband officieel te ontkennen. Hij onderstreepte dat het onderzoek tegen Mérimée en Boidevaix ,,privé-activiteiten'' betreft van ,,ex-diplomaten die geen functies meer vervullen op Quai-d'Orsay''.

Ook de overige verdachten in het Franse onderzoek komen uit invloedrijke kringen. Onder de nu vijf aangeklaagden is de voormalige politieke rechterhand van ex-minister Charles Pasqua. Tegen Pasqua zelf lopen verschillende onderzoeken wegens mogelijke corruptie, onder meer rond het Olie-voor-voedselprogramma, maar hij is niet in staat van beschuldiging gesteld.

Het onderzoek is bovendien breder dan het VN-programma. Oorspronkelijk ging het onderzoek, dat loopt sinds 2002, helemaal niet over Olie-voor-voedsel, maar alleen over mogelijk illegale financiële constructies van de Franse oliemaatschappij Total. Inmiddels is het uitgebreid. In zijn toelichting onthulde het ministerie gisteren dat de ex-diplomaten al in 2001 een brief hebben ontvangen van de toenmalige minister Védrine. Daarin werden zij herinnerd aan hun ,,bijzondere verantwoordelijkheden'', gezien hun oude functies, om te zorgen dat ,,hun privé-bezigheden alleen henzelf aangaan en niet de regering of het ministerie van Buitenlandse Zaken''.

Het ministerie lijkt dus bezig afstand te nemen van de ex-diplomaten, die na hun pensionering veel contacten onderhielden in de Arabische wereld en in politieke kringen. Mérimée was in 2001 ook nog raadgever van de secretaris-generaal van de VN over de Europese Commissie. Voordat hij in staat van beschuldiging werd gesteld, zat Mérimée deze week drie dagen vast om gehoord te worden. Hij werd gisteravond vrijgelaten in ruil voor een borgsom van 150.000 euro. Hij mag niet spreken met andere verdachten, en ook niet met leidinggevenden van het oliebedrijf Total.