Eis twaalf jaar in Katwijkse zaak

Tegen een 49-jarige Amsterdammer is gisteren voor de Haagse rechtbank twaalf jaar gevangenisstraf geëist voor zijn rol in een criminele organisatie die cocaïne in- en uitvoerde. De verdachte, Frank A., wordt beschouwd als een van de leiders van de organisatie.

Eerder op de dag eiste het openbaar ministerie al celstraffen van vier tot elf jaar tegen vijf mannen uit Katwijk en omgeving voor hun rol in dezelfde organisatie. Zij vormden binnen deze drugsbende volgens het OM de `Katwijkse connectie', bestaande uit drie cocaïnekoeriers en twee tussenpersonen.

Frank A. zou degene zijn geweest aan wie de Katwijkers de binnengesmokkelde cocaïne leverden. Bovendien zou hij tientallen malen de overdracht van geïmporteerde drugskoffers op Schiphol hebben georganiseerd. De zaak tegen een andere man die wordt verdacht van leiderschap van de criminele organisatie, de 48-jarige Ghanees Floyd T., werd gisteren aangehouden.

Enkele afgeluisterde telefoongesprekken vormen het belangrijkste bewijsmateriaal tegen Frank A. De verdachte erkende op de rechtszitting dat hij wel eens over cocaïne heeft gesproken, maar wees iedere betrokkenheid bij een eventuele criminele organisatie van de hand. Op de vraag van de rechter waarom hij vanaf november 2004 in een half jaar tijd 87 telefoontjes vanaf Schiphol pleegde, antwoordde hij dat hij graag op de luchthaven vertoeft en vaak door zijn vrouw werd gebeld.

Van de Katwijkse verdachten zei Frank A. alleen tussenpersoon Henk H. te kennen. Volgens de verdachte hebben zij elkaar enkele keren gesproken, maar hadden die gesprekken niets met cocaïne te maken. De rechter merkte op dat de Katwijkse cocaïnekoerier Wim van E. heeft verklaard dat Frank A. allerlei zaken rondom de drugstransporten regelde. A. wilde alleen zeggen dat hij Van E. niet kent en dat de verklaring onjuist is.

De advocaat van Frank A. noemde de eis van twaalf jaar in een reactie ,,extreem zwaar''. In zijn pleidooi vroeg hij om vrijspraak, omdat in zijn ogen geen van de ten laste gelegde feiten kan worden bewezen. Uitspraak 26 oktober.