Wie wil zeggen wat hij denkt: geen minister worden

De ministers Bot en Pechtold spraken onlangs op eigen titel. Zij werden onmiddellijk teruggefloten. Waarom? Het dilemma van `spreken met één mond'.

Het kabinet, zo is de afspraak, spreekt met één mond. Een minister die iets zegt dat afwijkt van de mening van de ministerraad, wordt daarom berispt. Maar een minister is behalve bewindspersoon ook partijpoliticus met een eigen mening. Waar liggen de grenzen van de homogeniteit van kabinetsbeleid?

Gisteren riep Kamerlid Vendrik (GroenLinks) minister Pechtold (Bestuurlijke Vernieuwing, D66) en premier Balkenende (CDA) naar de Kamer. Pechtold had zaterdag in de Telegraaf gezegd dat hij de aftrekbaarheid van de hypotheekrente ter discussie wil stellen. Maar dat onderwerp is bij de formatiebesprekingen voor dit kabinet taboe verklaard. Electoraal te gevoelig. Wordt niet over gesproken.

Het gevolg was een chaotisch debatje. Minister Pechtold wilde inderdaad de hypotheekrenteaftrek ter discussie stellen, zei hij. Maar voor een volgende kabinetsperiode. De eenheid van kabinetsbeleid was dus niet in het geding. Wel bleef hij achter zijn stelling staan dat ministers hun mening moeten kunnen geven.

Het was de tweede keer binnen zeven dagen dat het gebrek aan homogeniteit binnen het kabinet tot problemen leidde. Vorige week zei minister Bot (Buitenlandse Zaken, CDA) in de Tweede Kamer dat het ,,achteraf niet verstandig was'' om Irak binnen te vallen. Er volgde een pijnlijk Kamerdebat met Balkenende en Bot waarin de minister van Buitenlandse Zaken zijn mening moest herzien. Ook de oorlog in Irak is taboe. Het vorige kabinet-Balkenende had nu juist `politieke steun' gegeven aan de Amerikaans/Britse inval in Irak. De keuze van het kabinet om de inval in Irak te steunen was, is en zal altijd de beste beslissing zijn, verklaarde de berispte minister.

Het lijkt misschien niet zo, zegt de Nijmeegse hoogleraar staatsrecht Tijn Kortmann, maar een minister heeft formeel veel vrijheid om te zeggen wat hij wil. Dat blijkt uit het reglement van orde voor de ministerraad. ,,Daar staat dat een minister niet openlijk tegen besluiten van die raad in mag gaan. Maar dat laat veel ruimte om iets te zeggen waar de wekelijkse ministerraad niets over besloten heeft.''

Een klassiek voorbeeld is volgens Kortmann een uitspraak van toenmalig minister Nawijn (Vreemdelingenbeleid, LPF) in 2002. Hij zei dat hij voelde voor invoering van de doodstraf. Premier Balkenende dwong hem zijn uitspraak terug te nemen. Kortmann: ,,De ministerraad had hier nooit een standpunt over ingenomen. Nawijn had dus alle ruimte om dit te zeggen.''

Kabinetsleden zijn er altijd snel bij om een collega terug te fluiten die de homogeniteit van het kabinet in gevaar brengt. Pechtold, die gisteren nog pleitte voor een ,,cultuuromslag'' en dus voor lossere afspraken, floot op zijn beurt in september premier Balkenende terug toen die uitspraken deed over Pechtolds beleidsterrein.

Balkenende zei vorige maand in een interview met Elsevier dat hij niets voelde voor een hervorming van het ambt van minister-president een van de prioriteiten van Pechtold. In de wekelijkse ministerraad, zegt een direct betrokkene, wordt ,,met enige regelmaat'' fel over de schending van de eenheid gesproken, ,,zonder aanzien des persoons''.

De grenzen worden volgens hoogleraar Kortmann niet zozeer juridisch, maar politiek bepaald. ,,Een gevoelige kwestie als Irak leidt meteen tot politieke spanning. Dan hoeft een minister maar iets te zeggen of de premier zal hem terugfluiten.''

In vorige kabinetten, is de inschatting van Kortmann, gingen ministers en staatssecretarissen losser om met het begrip eenheid. ,,Het was onder Lubbers en Kok iets normaler dat een minister iets zei over een terrein waar hij niet over ging, of uitspraken deed die niet helemaal strookten met het kabinetsbeleid. Onder Balkenende is een cultuur van `bek houden' ontstaan.'' De premier, die doorgaans bepaalt wie er over de schreef gaat en wie niet, ziet volgens een andere ingewijde streng op de eenheid toe. ,,Hij laat het niet sloffen.''

Naast politieke redenen is het volgens staatsrechtgeleerde en Eerste-Kamerlid Erik Jurgens (PvdA) ook een kwestie van groepsgedrag. ,,Binnen veel groepen lig je er gewoon uit als je voortdurend afwijkende standpunten inneemt. Als je wilt samenwerken, stel je samen grenzen aan gedrag op. Zo werkt dat in de ministerraad ook. Het ligt ook aan de Tweede Kamer, die vaak al te heetgebakerd reageert als een minister eens iets anders zegt dan in het regeerakkoord staat. Zo wordt de individuele ruimte wel erg beperkt.''

Het gaat inderdaad niet alleen om de regels, zegt een betrokkene. ,,Vergelijk het met een voetbalwedstrijd. Niemand verbiedt je de bal aan te nemen en het hele veld over te dribbelen om een doelpunt te maken. Maar iedereen weet dat het beter werkt als je als team opereert. Zo zit het ook in de ministerraad, het gaat om teamgeest.''

Maar een minister is naast lid van het kabinet ook partijpoliticus. Hoe houd je je eigen partij zichtbaar in het kabinetsbeleid? De preciezen vinden dat je voor profilering in de Kamer moet zitten en dat ministers dienaren van de kroon zijn en dus geen eigen ruimte moeten zoeken. Maar de praktijk leert dat, zeker naarmate een groter deel van het regeerakkoord al is omgezet in wetgeving, de ministers zich wat meer ruimte permitteren.

Bovendien komen de gemeenteraadsverkiezingen (volgend jaar) en de Tweede-Kamerverkiezingen (in 2007) er langzaam aan. Betrokkenen erkennen dat kabinetsbeleid knellend kan werken. In vorige kabinetten maakten bewindslieden de afspraak dat ministers zich zes weken voor de verkiezingen mochten profileren.

Ook het kabinet-Balkenende zal op enig moment de teugels laten vieren en de bewindslieden de ruimte geven hun partijen in de campagne te ondersteunen. Tot die tijd geldt echter dat ,,als je in dit land wilt zeggen wat je denkt, je geen minister moet worden'', zoals een betrokkene het vorige week verwoordde.