Salomé als Hollands welvaren

Wij leven in het kielzog van de Romantiek. De onmogelijke liefde, de gekwelde kunstenaar, het geluk van eenvoudig leven: talloze begrippen – of clichés – zijn ons door die stroming nagelaten. Ze zijn houdbaar gebleken, want het is al ruim twee eeuwen geleden dat de Westerse cultuur in de greep raakte van het `vreemde gevoel van binnen' dat Romantiek heet. Kunstenaars begonnen door Europa te trekken, niet om elders het vak te leren zoals voorheen, maar op zoek naar het Onbekende. Familieportretten, eens uitingen van deftigheid, werden demonstraties van intiem, huiselijk geluk.

Op een blockbuster-tentoonstelling in de Kunsthal, waaraan drie jaar is gewerkt, is de Nederlandse versie van de Romantiek te zien, zo grootscheeps en veelzijdig als nooit eerder is vertoond. De lijvige catalogus is een poging het thema te vangen in al zijn facetten. Het streven is duidelijk: de Nederlandse Romantiek moest eens en voor altijd op de kaart worden gezet.

Er hangen prachtige schilderijen en tekeningen, aquarellen en grafiek op de tentoonstelling. Wie een hele artistieke stroming belicht, is welhaast verplicht ook mindere goden te laten zien. Maar er zijn ook vele echte goden bij: Wijnand Nuyen bijvoorbeeld, de jong gestorven Nederlandse proto-romanticus: wat was die toch goed! Ook landschapstekeningen van Schelfhout, een blote Slapende jongen van Woutherus Mol en een portret door Charles Hodges van de schrijver Willem Bilderdijk, rustig-zelfbewust poserend met zijn elleboog geleund op een deeltje Homerus, springen er uit.

Leuk is ook de galerij van (zelf-)portretten, tegen ouderwets behang opgehangen achterin de grote zaal. De jonge zeeschilder Louis Meijer vereeuwigde zichzelf als dandy naast een schildersezel; op het schilderij naast hem woedt een schuimende storm die vreemd contrasteert met de jonge schilder met baret, gesoigneerde snor en schoothondje. Dit is een van de vele werken uit het Rijksmuseum; directeur Ronald de Leeuw trad op als gastconservator. Maar ook uit andere, soms particuliere Nederlandse collecties is geleend.

Duitsland was, veel meer dan Frankrijk, de bakermat van de Romantiek.In de catalogus wordt veel geworsteld met het overgeleverde idee dat Nederland niet echt deel zou hebben gehad aan deze stroming, of alleen een heel tamme, huiselijke versie ervan kende. Uiteindelijk menen de auteurs dat wij wel degelijk romantici hadden, en dat `Romantiek' toch de beste benaming is voor onze schilderkunst in de periode 1800-1850. Wat Nederland mist, zijn uitzonderlijke romantische genieën als de Duitser Caspar David Friedrich of de Fransman Eugène Delacroix. Bij de zoetige Italiaanse taferelen van de Nederlander Cornelis Kruseman, of zijn Salomé die er uitziet als Hollands welvaren, zou je inderdaad gaan geloven dat Nederland een hopeloos braaf land is.

Toch kon iemand als Ary Scheffer, de prins van het vrome sentiment, ook wild romantisch zijn, blijkens een paar dramatische olieverfschetsen en een sprookjesachtig schilderij, De doden rijden snel, uit het Dordrechts Museum.

Helemaal uitzonderlijk is de Nederlander David Humbert de Superville, een geniale gek van wie hier verheugend veel werken te zien zijn, alle op papier. De gewassen tekening Kop van een grimassende duivel met gebroken ogen uit 1807 heeft bij zijn schrikwekkendheid ook iets klassiek-harmonisch. Haast nog vreemder is de aquarel Heldere lucht boven zee: eigenlijk niet meer dan een streep op een groot vel papier, eronder blauw, erboven niets. De tot op het bot gereduceerde voorstelling doet denken aan C.D. Friedrich beroemde Mönch am Meer uit 1809. Superville is een eenling in de Nederlandse kunst, maar zijn bestaan toont eens te meer hoe rijk en gevarieerd die kunst was, ook in deze tot dusver enigszins verwaarloosde periode.

Tentoonstelling: Meesters van de Romantiek. Nederlandse schilderkunst 1800-1850. Kunsthal Rotterdam, t/m 8 januari 2006. Di-za 10-17u, zo 11-17u. Inl: 010-4400300 ofwww.kunsthal.nl