Hebzucht bedreigt mooi voetbalspel

Steenrijke geldschieters kruisen het pad van voetbalclus en (jonge) spelers. Als niet wordt ingegrepen, zou dit nieuwe geld de doodsteek kunnen betekenen voor een sport die wereldwijd 1,3 miljard actieve beoefenaars telt, betoogt Joseph Blatter.

Voetbal is tegenwoordig een wereldwijd bedrijf, waarin miljarden dollars omgaan. Helaas heeft de lukrake manier waarop het geld het spel is binnengedrongen – als een soort onbesuisd wildwestkapitalisme – een aantal zeer schadelijke gevolgen gehad. Wij moeten nu in actie komen om de excessen te beteugelen en te zorgen dat de sport haar wortels beschermt.

De Internationale Voetbalfederatie (FIFA) heeft thans een waterdichte begroting, en een procedure die zorgt dat zo'n 75 procent van haar inkomsten rechtstreeks naar het mondiale spel vloeit. Dit kan niet worden gezegd van sommige van onze 207 nationale leden, laat staan van vele clubs.

Wel zijn een paar gelukkige clubs rijker dan ooit tevoren. Het baart echter zorgen dat de oorzaak van die rijkdom te vaak gelegen is in individuen die zich voorheen niet of nauwelijks voor het spel interesseerden, en die toevallig het voetbal hebben ontdekt om een of andere verborgen agenda te dienen.

Deze mensen, die ogenschijnlijk vanuit het niets de sport zijn binnengestapt, bekogelen haar nu met schandalige hoeveelheden geld. Wat zij niet begrijpen is dat voetbal meer een zaak is van gewone mensen dan van idolen, meer van amusement en hoop voor velen dan van loze populariteit voor een voorspelbaar klein groepje, en meer van respect voor anderen dan van het verzadigen van een particuliere zucht naar aanbidding of geld.

Als niet wordt ingegrepen, zou dit nieuwe geld de doodsteek kunnen betekenen voor een sport die wereldwijd maar liefst 1,3 miljard actieve beoefenaars telt. Omdat onvoorspelbaarheid tot het wezen van deze sport behoort, zal het altijd een zeer riskante investering blijven. Net als bij veel andere bedrijfstakken ligt de waarde van het voetbal niet in goederen maar in mensen. En mensen, dat weten we, zitten vol verrassingen. Zij kunnen bijvoorbeeld een been breken.

Het beroepsvoetbal is thans doortrokken van praktijken die in het gunstigste geval de kwalijke kanten van het clubvoetbal onthullen en in het slechtste geval het bestaan van de sport als zodanig in gevaar brengen. Om te beginnen is een nieuwe vorm van slavernij ontstaan, die iedereen zou moeten bestrijden. Deze doet zich voor wanneer de `boeken', de commerciële rechten, van jonge spelers, vaak Brazilianen, worden opgekocht door speculanten, die vervolgens iedere keer dat zo'n speler wordt doorverkocht, winst opstrijken. In de ogen van de FIFA worden bij zulke transacties de elementairste beginselen van het fatsoen geschonden. Wij kunnen ze niet meer zomaar accepteren. Wij zúllen dat ook niet doen.

Niet minder onaanvaardbaar is het soort salarisonderhandelingen dat ertoe leidt dat halfgeschoolde, soms grofgebekte spelers die wel 145.000 euro per week verdienen, een club onder druk zetten om bijvoorbeeld 175.000 euro te krijgen. In de meeste gevallen worden deze spelers bij hun optreden begeleid door onfrisse agenten die een percentage opstrijken van iedere overeenkomst die zij voor hun cliënt weten te sluiten.

Het is gewoon krankzinnig dat welke speler dan ook 8,5 à 11,5 miljoen euro per jaar verdient, terwijl het jaarbudget van zelfs een club die meedoet aan de Europese Champions League van de UEFA misschien nog niet de helft daarvan bedraagt.

Op grond van welke logica, rechten of economische noodzaak zou een man van halverwege de twintig in een maand een bedrag moeten verdienen dat zijn eigen vader – en de meerderheid van de fans – in nog geen tien jaar verdient?

Anders gezegd: waar liggen de grenzen? En moeten wij die niet eens trekken?

En nu wij het hier toch over hebben: waarom steken de clubs niet meer tijd en moeite in de jaren waarin jonge spelers niet voetballen – jonge spelers die het moeten aankunnen dat zij van het ene moment op het andere naar een ander land worden verplaatst? Er zijn gelukkig wel clubs die moeite doen om hun jonge spelers een behoorlijke opleiding te geven. Daar staat tegenover dat een groeiend aantal dit onbelangrijk vindt. Voor hen tellen alleen de prestaties van de speler op het veld.

Er is, kortom, een nieuw type markt ontstaan. Deze is het werk van oneerlijke tussenpersonen en inhalige clubeigenaren die maar één manier zien om hun eigen inkomsten – en niet die van de club – zoveel mogelijk op te voeren: de veelbelovendste spelers uit heel de wereld te verhandelen. Buitengewone talenten zijn schaars; geld is dat steeds minder.

Onbeperkte middelen hebben een handvol clubeigenaren de mogelijkheid geschonken om het clubspel wereldwijd te manipuleren door een kleine groep elitespelers te bedelven onder onvoorstelbare hoeveelheden geld. Meer dan ooit tevoren strijdt de meerderheid nog met speren, terwijl het kleine groepje inhaligen beschikt over het financiële equivalent van kernkoppen.

Geen wonder dat lege stoelen in de stadions en complete live-uitzendingen op de televisie hete hangijzers zijn geworden. Wat is er nog spannend aan een competitie waarin de kampioenen al na vijf wedstrijden met zekerheid kunnen worden voorspeld? Waarom is het goed voor het voetbal om het enthousiasme van de fans te dempen door hen te veel te laten betalen voor een kaartje om `hun' team te mogen zien? En is het nog wel `hun' team als er een club in Engeland is met een ploeg die negentien nationaliteiten telt?

Wij zien ons thans geconfronteerd met een voetbalsamenleving van rijken en armen. Zo mag de toekomst van ons spel niet zijn. De FIFA kan niet werkeloos aanzien hoe inhaligheid de voetbalwereld regeert. Wij zullen dat ook niet doen.

Een nieuwe werkgroep van de FIFA gaat de excessen aanpakken die ik heb geschetst. Ik heb er alle vertrouwen in dat dit nieuwe initiatief spoedig beslissende vruchten zal afwerpen.

Joseph Blatter is voorzitter van de FIFA, de wereldwijde voetbalorganisatie. Dit artikel verscheen vanochtend in The Financial Times.