Deugnieten kunnen wel degelijk iets

Het Albeda College in Rotterdam, een van de grootste mbo-scholen van Nederland, heeft een bijzondere aanpak om schooluitval onder jongeren te voorkomen. Bedrijven spelen daarbij een belangrijke rol.

Het lijkt soms of hij de enige is, maar Piet Boekhoud heeft vertrouwen in de jeugd van tegenwoordig. Dat mag ook wel, want hij is als directeur van het Albeda College in Rotterdam verantwoordelijk voor bijna 21.000 mbo-leerlingen. ,,Rotterdam is een jonge stad, die de komende jaren bovendien nog jonger wordt. Veel van die jongeren zitten aan de onderkant van de samenleving.''

De aantallen liegen er niet om: bijna een kwart van de Rotterdammers tussen de 17 en 23, in totaal bijna 14.000 jongeren, heeft geen zogenoemde `startkwalificatie'. Zij hebben geen mbo-diploma op niveau twee, terwijl je op het mbo tot niveau vier kan gaan, wat de kansen op de arbeidsmarkt aanzienlijk vergroot. ,,Zij dreigen een onderklasse te worden. Dat is inhumaan. Maar het is ook economisch niet op te brengen voor de samenleving.''

Het Albeda heeft zijn eigen ideeën ontwikkeld om schooluitval te voorkomen. Het belangrijkste is volgens Boekhoud dat de leerling het uitgangspunt is, en niet het lesaanbod. ,,Ik vind het vooral een kwestie van gezond verstand. Sommige jongeren die hier zitten, zijn half crimineel en presteren niets op school. Maar als je die jongens met hun scooter bezig ziet, dan blijkt dat ze echt wel wat kunnen. Dat geldt ook voor de leerlingen die in het drugscircuit verzeild zijn geraakt, de drugsrunnertjes. Die kunnen organiseren, met geld omgaan, logistiek werk doen. Dat zijn vaardigheden waarbij beroepen zijn te bedenken.''

Boekhoud legt vol vuur het belang uit van `succeservaringen', die aansluiten bij waarmee de leerling bezig is. ,,Veel van deze jongeren horen al hun hele leven dat ze niets kunnen. Ze lopen ook steeds vast. Maar als je ze laat meemaken dat het anders kan, in een omgeving die ze iets zegt, is dat vaak voldoende om ze op het goede spoor te zetten.''

Hij weet waarover hij praat, als hij zegt dat een `relevante omgeving' belangrijk is. Het Albeda College heeft de laatste paar jaar veel succes met wat Boekhoud de `contextrijke leeromgeving' noemt. Het idee is dat nauw contact met bedrijven voor alle leerlingen belangrijk is. Dat is uiteraard zo voor hen die de praktische variant van het mbo hebben gekozen (beroepsbegeleidende leerweg, bbl). Zij werken vier dagen als werknemer en gaan maar één dag naar school. Dat blijkt motiverend, en zo ondervinden ze aan den lijve of het gekozen beroep bij ze past. Maar ook de leerlingen die de theoretische richtingen van het mbo volgen (beroepsopleidende leerweg, bol) hebben er volgens Boekhoud baat bij als ze ervaren waarvoor ze iets leren.

Hij geeft een voorbeeld. ,,Van de opleiding voor detailhandel, niveau één, het laagste niveau, haalde maar 15 procent de eindstreep. Veel van de jongeren in deze opleiding zijn hangjongeren, hier op het Zuidplein. Daar zitten ook de V&D en andere winkels waar ze straks zouden moeten werken. Daar ben ik een paar jaar geleden mee in gesprek gegaan. Nu ís het Zuidplein de school. Die jongeren komen niet meer hier, maar draaien mee in de winkels en krijgen daar ook, in kleine lokalen, het theorieonderwijs.''

Deze aanpak, waarvoor het Albeda College zelfs internationaal erkenning heeft gekregen, leverde opmerkelijke resultaten op. ,,Het eerste jaar haalde 60 procent de opleiding, nu is dat zelfs 90 procent. Dat idee gaan we volgend jaar ook in de haven toepassen. Daar zitten ook allerlei bedrijven. Overal waar die context zichtbaar is, zie je resultaten omhooggaan.'' Iets vergelijkbaars doet het Albeda nu al op het terrein van de Rotterdamse Droogdok Maatschappij, waar de opleiding voor metaalbewerking zit.

Voordeel van deze methode is dat ook de leraren de lesstof kunnen aanpassen aan de praktijk, ook al levert deze inhoudelijke vrijheid nog wel eens frictie op met het ministerie van Onderwijs. ,,Deze methode wringt natuurlijk met de opleidingsprotocollen. Maar dat speelt niet zo zeer op niveau één. Bovendien vindt iedereen, ook op het ministerie, dat er iets moet gebeuren. Er is een geweldig gedeeld gevoel van urgentie.''

Een ander doel is het onderwijs zoveel mogelijk te combineren met de zorg die veel jongeren nodig hebben. ,,Een kwart, of misschien wel meer, want ik weet ook niet alles, moet regelmatig naar jeugdzorg of het RIAGG. Ik denk dan simpel: wat is de hoofdlijn bij de leerling? Dat is zijn school, zijn levensloop, waar die leerling meters aan het maken is. Laten we dat allemaal hier doen. Wij experimenteren daarmee.''

Iets vergelijkbaars geldt voor wonen. Veel leerlingen missen lessen omdat ze problemen hebben met de huisvesting. ,,Een jaar of twee geleden heb ik de woningbouwcorporaties ontdekt, en we zijn nu bezig met een soort short stay, onder de noemer `kamers met kansen': een plek waar ze kunnen wonen met begeleiding.''

Of het genoeg is? Boekhoud blijft optimistisch. Maar hij is ook een realist, en weet dat het niet kan zonder dwang. Hij staat aan de wieg van de verlengde leerplicht voor jongeren tot 23 die geen werk of geen startkwalificatie hebben, waarvoor de Raad voor het onderwijs begin deze maand een gewillig oor vond bij het ministerie van Onderwijs. ,,Deze jongeren hebben nog niets gepresteerd en verwachten dat er voor ze gezorgd wordt. Dat kan niet. Jongeren kunnen toch niet al met pensioen zijn?''