Armoede in Oost-Europa neemt af

Het aantal armen in Oost-Europa, inclusief de voormalige sovjetrepublieken, is in de vijf jaar tussen 1998 en 2003 met 40 miljoen afgenomen tot in totaal 61 miljoen mensen, 12 procent van de totale bevolking. In 1998 was nog 20 procent van de bevolking in het oosten van Europa arm.

Dat meldt de Wereldbank in een vandaag verschenen rapport. Deskundigen van de Wereldbank hebben in de 27 landen van Oost-Europa over een periode van vijf jaar de levensstandaard van gezinnen gemeten. De armoedegrens werd daarbij voor de meeste landen gesteld op een inkomen van 2 dollar (1,66 euro) per dag per huishouden. Gezinnen met een inkomen van 2 dollar tot 4 dollar per dag werden door de Wereldbank ingeschaald in de groep van `economisch kwetsbaren'.

Volgens Shigeo Katsu, vice-president van de Wereldbank voor Europa en Centraal-Azië, toont het rapport aan dat landen die zwaar onder druk stonden door de lasten van de transitie en de gevolgen van de financiële crisis in Rusland in 1998, er toch in zijn geslaagd miljoenen armen aan een beter levenspeil te helpen. Hij sprak bij de presentatie van het rapport van ,,een ommekeer'', die evenwel alleen kan doorzetten als wordt gewerkt aan banenplannen voor de armen die er nog zijn, vooral op het platteland en in kleinere en middelgrote steden in de regio.

In het rapport wordt dan ook gepleit voor hervormingen die het bedrijfsleven stimuleren, de economische groei op het platteland bevorderen en kansen scheppen in achterblijvende regio's. Ook moet de dienstverlening naar een hoger niveau en moet de sociale bescherming van de armen worden verbeterd.

De afname van de armoede tussen 1998 en 2003 vond vooral plaats in de landen van het GOS (Gemenebest van Onafhankelijke Staten). Dat zijn de landen van de vroegere Sovjet-Unie (minus de drie Baltische landen). Daarbij is volgens het rapport de rol van Rusland met zijn olierijkdom en zijn belang voor regionale handel belangrijk geweest, evenals de migratie tussen de nieuwe landen. Ook heeft het proces van de Europese integratie markten geopend en hervormingen onderbouwd. Het eind van de oorlogen in het voormalig Joegoslavië heeft bovendien investeringen en economische groei bevorderd, zo beschrijft het rapport.

De armoede was in 2003 het grootst in de landen in Centraal-Azië en de Kaukasus. In Tadzjikistan was in dat jaar nog meer dan 70 procent van de bevolking arm, in Georgië 50 procent. In absolute aantallen woonden de meeste armen in Kazachstan, Polen, Rusland en Oekraïne. Met name jongeren, plattelanders en inwoners van kleine steden zijn kwetsbaar, net als werklozen, laagopgeleiden en leden van etnische minderheden, zoals de Roma.

Slechts weinig landen slagen er volgens de Wereldbank in genoeg banen te scheppen. Dat geldt zelfs voor de meest succesvolle landen in het oosten van Europa. Alleen in Rusland, Kazachstan en Oekraïne nam de werkgelegenheid toe. In de nieuwe EU-landen in Oost-Europa en in het zuidoosten van Europa had in 2003 56 procent van de beroepsbevolking werk. In Rusland en Kazachstan was volgens het rapport de daling van het aantal armen duidelijk groter dan verwacht. Dat schrijft de Wereldbank toe aan een verschuiving van de inkomensverdeling in deze twee landen ten gunste van de armsten.

In Georgië en Polen gebeurde het omgekeerde – daar groeide de armoede ook het meest.

De Wereldbank verwacht dat, gelet op de huidige groeicijfers in de landen die zijn onderzocht, het aantal armen in Oost-Europa in 2007 zal zijn gedaald van 61 miljoen in 2003 tot 40 miljoen mensen.