Waarom egoïsten toch liever samenwerken

Net als in 1994 gaat de Nobelprijs voor de Economie dit jaar naar speltheoretici. Een late eer voor twee grootheden.

Waarom John Kenneth Galbraith niet, zo suggereerde de New York Times afgelopen weekeinde. Galbraith, een van de bekendste economen van de twintigste eeuw kreeg de Nobelprijs voor de economie nimmer. De tijd dringt, want hij is inmiddels 97, en het is steeds meer gebruik om de prijs toe te kennen aan economen wier hoogtijdagen lang, lang geleden zijn maar die toch de eer verdienen – voor het te laat is.

Dat is zeker ook het geval met de toekenning gisteren van de prijs dit jaar aan Thomas Schelling en Robert Aumann voor hun werk aan de zogenoemde speltheorie. Het besluit is opmerkelijk, want het is de tweede keer dat Nobelprijs voor dit onderwerp wordt toegekend. In 1994 werden John Nash, Reinhard Selten en John Harsanyi er ook al voor gelauwerd.

Destijds vonden al veel economen dat Robert Aumnann de Nobelprijs had moeten krijgen want toen al was hij de de onbetwiste leider van de gemeenschap van de speltheoretici. De prijs ging naar John Nash voor een artikel uit 1950 van tien bladzijden lang, met één stelling en een bewijs van tien regels. Piëteit van Zweedse Academie? In 1958 viel Nash ten prooi aan schizofrenie die het einde maakte aan zijn veelbelovende wetenschappelijke carrière. Het leverde, in de vorm van A Beuatiful Mind, een boeiende film op: de Nobelprijs voor een schizofrene ex-geleerde die op zijn tweeëntwintigste tien bladzijden in een wiskundig tijdschrift publiceert die jaren later van groot belang blijken te zijn voor de speltheorie.

De speltheorie zelf werd tijdens de Tweede Wereldoorlog ontwikkeld door Oscar Morgenstern (19021977) en John von Neumann (1903)-1956). Zij schreven het boek Theory of Games and Economic Behaviour (1944). De theorie - populair in politieke wetenschappen, economie en sociologie - beschrijft het strategisch gedrag van mensen bij het maken van hun keuze.

Bij zogenoemde zero sum games betekent winst van de ene speler automatisch het verlies van de andere (schaken, tennis), maar bij positive sum games trachten de deelnemers tot een optimale gezamenlijke strategie te komen, zodat een win-win-situatie ontstaat waar iedereen baat bij heeft.

Het beroemdste voorbeeld uit de speltheorie is het prisoners dilemma. Twee verdachten van een misdrijf worden gearresteerd en in aparte cellen opgesloten zodat onderlinge communicatie onmogelijk is. Ze kunnen bekennen of blijven zwijgen en ze weten wat daarvan de gevolgen zijn:

1) als de een bekent en de ander zwijgt, dan wordt degene die bekend heeft getuige à charge en hij wordt vrijgelaten; de ander wordt veroordeeld tot twintig jaar gevangenisstraf;

2) als ze beide bekennen, worden ze elk tot vijf jaar veroordeeld;

3) als ze beide zwijgen worden ze vrijgesproken wegens gebrek aan bewijs.

Uit onzekerheid over hetgeen de ander zal doen zullen beide kiezen voor `bekennen'. Immers door te zwijgen, loopt men het risico dat de ander bekent en als gevolg daarvan krijgt men een straf van twintig jaar. Beter was het geweest overleg te voeren en een afspraak te maken. Dan was de uitkomst voor beide misdadigers vrijspraak geweest.

Met computerprogramma's wordt het dilemma getest en onderzocht onder welke omstandigheden samenwerking ontstaat. In de economie komen we dit bijvoorbeeld tegen bij het milieuvraagstuk. De zorg voor een beter milieu kost het individu moeite en werpt alleen vruchten af als (vrijwel) iedereen zo handelt. Omdat iedereen iedereen in dit opzicht wantrouwt, vertoont geen van de individuen milieuvriendelijk gedrag. In dit soort gevallen moet een overheid, volgens de speltheorie het maatschappelijk wenselijke gedrag afdwingen. Een ander voorbeeld is de bromfietshelm, die onbetwist beter is voor het individu maar zo'n wissel trekt op het eigen imago dat hij enkel gebruikt zal worden als een iedereen hem verplicht draagt.

Met name gedurende de Koude Oorlog, waar de Verenigde Staten en de SovjetUnie met grote nucleaire arsenalen elkaars vernietiging konden bewerkstelligen, bloeide de speltheorie. Thomas Schelling (84, doceerde aan Yale, Harvard en recent aan de Universiteit van Maryland) brak in 1960 door met zijn boek The Strategy of Conflict. Een van zijn vernieuwingen is het inbrengen van irrationeel gedrag bij één van de deelnemers, of het moedwillig beperken van de eigen keuze. Deze `strategische verplichting' maakt de eigen dreiging geloofwaardiger.

Er zijn tal van voorbeelden waar de speltheorie kan worden toegepast en in de economische wetenschap bloeit de theorie als nooit tevoren. Zijn medewinnaar, Robert Aumann (75, Hebreeuwse Universiteit van Jeruzalem, en onder meer bij Yale en Berkeley), is vooral bekend van het herhaald toepassen van de speltheorie, waardoor deelnemers elkaars gedrag leren kennen of reputaties opbouwen. Deze `oneindig herhaalde spellen' kunnen verklaren waarom het in sommige gemeenschappen, of tussen staten, wel of niet lukt om samen te werken.

De onderwerpen van het werk van de winnaars Aumann en Schelling, die overigens nooit samenwerkten, vertonen veel overlap maar hun benadering verschilt. Schelling heeft zich meer gericht op de praktische toepassing, terwijl Aumann mathematischer ter werk is gegaan.

Dat neemt niet weg dat Aumann, die zowel Israëlisch als Amerikaans staatsburger is, ook de praktijk niet schuwt. Al geeft dat niet altijd rooskleurige conclusies. Gisteren werd de in Israël woonachtige Aumann op een persbijeenkomst naar aanleiding van de prijs gevraagd of het Israelisch-Palesijnse conflict oplosbaar is. ,,Het spijt me het te moeten zeggen,'' zei Aumann, ,,maar het conflict duurt nu al tachtig jaar en zo lang gaat het minstens nog door. Dit is een voortgaand conflict. Wij bestuderen voortgaande conflicten. En ik zie aan dit conflict geen einde komen.''