Sterfhuisconstructie voor symfonische sector dreigt 1

Helaas ben ik het eens met Kees Vlaardingerbroek, getuige zijn bijdrage in NRC Handelsblad van 27 september. Als voormalig lid van de Muziekcommissie van de Raad voor Cultuur heb ik een `landschapsbeschrijving' van het orkestenbestel gemaakt vanuit artistiek-inhoudelijke optiek. Het kardinale punt is dat de symfonische sector structureel onvoldoende kansen krijgt zijn rijke artistieke potentieel te tonen. Derhalve heb ik vurig gepleit voor een verlenging van de beoordelingsperiode voor de orkesten van vier naar acht jaar om zodoende ruimte te scheppen voor zowel het ontwikkelen maar speciaal ook het consolideren van een avontuurlijk, alle segmentering in stijlperiodes doorbrekend en veelzijdig aanbod.

De draagwijdte van de symfonische cultuur is immers gigantisch. Zij omvat naast Mozart, Beethoven, Debussy, Mahler en Ravel evengoed Boulez, Lachenmann, Ligeti, Stockhausen, Van Vlijmen, Ketting en Berio. De uitdaging voor de toekomst is deze en aanverwante muziekvinders binnen prikkelende formules te confronteren met het ijzeren repertoire.

Na mijn vertrek uit de Muziekcommissie heeft men echter aan de staatssecretaris voorgesteld de orkesten met 3 procent te korten. En zo gaat de neerwaartse spiraal verder. Bovendien, met een eventueel verdwijnen van de NPS die de enige garantie biedt voor structurele repertoire-ontwikkeling verdwijnt tevens de voorbeeldfunctie voor de landelijke en regionale orkesten, wat onvermijdelijk tot een nog verdergaande verschraling van het aanbod bij die orkesten zal leiden, tot een sterfhuisconstructie op termijn. Een ongekend rijke muziektraditie dreigt binnenkort in het mausoleum te worden bijgezet. We leven in barbaarse tijden.