Overheid ziet pensioenkas als melkkoe

Jonge ambtenaren zijn boos op de vakbonden die een duur akkoord afsloten over de afkoop van de VUT. Maar ABP en overheid gaan evenmin vrijuit, betoogt Menno Tamminga.

De generaties gisten. Eerst een eigen omroep voor 55-plussers (Max), nu een vakbond voor jongeren en zelfstandigen, het Alternatief Voor Vakbond (AVV). Net als Max is het AVV tekenend voor een hernieuwde profileringsdrang onder generaties. Ouderen en jongeren zoeken nieuwe kanalen om hun stem te laten horen. Het alternatief is mede geboren uit ongenoegen over het akkoord dat de vergrijzende vakbonden deze zomer sloten over vervroegd uittreden (VUT) bij overheid en onderwijs. Hoofdzakelijk 55-minners betalen voor de 55-plussers. Wie nu ambtenaar is tussen 25 en 35 jaar, draagt in euro's van nu de komende 17 jaar gemiddeld 55 euro per maand bij aan de afschaffing van de VUT. Maar de VUT is voor hem een relikwie, die hij nooit krijgt.

Een van de ambities van de nieuwe `jongerenbond' is een andere pensioenregeling bij ambtenaren- en lerarenpensioenfonds ABP. De nieuwe bond wil de belangen van jongeren zekerstellen tegenover de dure toezeggingen aan 55-plussers en gepensioneerden. Nu zit al het vermogen in één grote pot. De werkgevers en vakbonden die het pensioenfonds besturen én CAO's afsluiten, besluiten over de verdeling van de lusten en de lasten. Bij pensioen, pre-pensioen en VUT.

De eindafrekening van de VUT is de jongeren in het verkeerde keelgat geschoten. Ook de plicht om nu al extra voor pensioen te sparen om bijvoorbeeld in 2040 eerder te kunnen stoppen met werken, stemt sommigen somber. Liever nu geld dan in 2040 eerder stoppen, zeggen ze. Begrijpelijk, want wie kan nu al kijken tot 2040?

De kosten van het afschaffen van de VUT zadelen jongere ambtenaren en leraren op met dubbele lasten: zij betalen voor hun oudere collega's én zij betalen voor hun nieuwe eigen regeling (pensioen, levensloop). Hoe duur VUT en prepensioen zijn, wordt menigeen nu pas duidelijk.

De onderhandelaars verkopen het VUT-akkoord met een beroep op solidariteit tussen generaties (jong voor oud) en met gewekte verwachtingen. Wie nu 55-plus is, heeft weinig tijd om extra te sparen om eerder te kunnen stoppen met werken, maar hij had natuurlijk wel een jaar langer kunnen werken. Dat is ook een vorm van solidariteit, maar dan van oud naar jong. En hoe zit het met de solidariteit van die andere sociale partner, de werkgever? Bij ABP is de overheid als werkgever juist niet solidair. Al twee generaties lang zijn de ABP-pensioenen niet de uitkomst van solidariteit, maar van toeval, geluk en onderhandelingsmacht.

In een rapport over de privatisering van ABP becijferde de Algemene Rekenkamer in 1998 dat de overheid sinds 1982 in totaal 32,86 miljard gulden (14,94 miljard euro) aan pensioenpremies niet had betaald. De overheid zat die jaren als werkgever krap en deed, populair gezegd, een greep in de pensioenkas. Fijn voor de minister van Financiën. Maar dat was geen solidariteit met (ex)werknemers en gepensioneerden die de financiële positie van hun fonds zagen afkalven. Extra pijnlijk daarbij is dat ABP een verplicht gesteld pensioenfonds is. Vluchten kan niet.

Toen het Algemeen Burgerlijk Pensioenfonds na 1996 op eigen benen kwam te staan als de onafhankelijke stichting ABP, bleef de overheid genieten van een premie die lager was dan de kostprijs van het pensioen. Om het anders te zeggen: het pensioenfonds rekende een lagere prijs voor pensioen dan op basis van de cijfers nodig was. De werkgevers en vakbonden die het fonds besturen, gaven zichzelf een korting op de premie. Hoe kan dat? De rendementen van het fonds waren hoog genoeg om dat extraatje te betalen.

De korting was niet mals. Bert de Vries (CDA), voormalig minister van Sociale Zaken en na zijn ministerschap onafhankelijk voorzitter van het bestuur van ABP, becijfert in zijn boek Overmoed en Onbehagen de kostendekkende premie in 1997 op 19 procent. Maar de premie die in rekening werd gebracht was 12 procent. Doordat de overheid driekwart van de premie betaalt, profiteerde zij ook het meest. Ook werknemers profiteerden.

Maar was dat solidair met de gepensioneerden, die niet meeprofiteerden? Sterker nog, de gepensioneerden, zeg maar: de consumenten van het ABP-pensioen, zitten niet eens in het bestuur.

Eind 2000, kort na de records op de beurs, verlaagde het ABP-bestuur de premie nog een keer. Dat was, achteraf gezien, oliedom. Toen kwam de beurskrach (2001 en 2003). Daarna begon de rente te dalen. Uit arrenmoede moest de premie in rap tempo naar een kostendekkend niveau. Maar dat wilde de overheid niet betalen.

De pensioenregeling werd versoberd om binnen de werkgeversbegroting te blijven. De waardevastheid, de koppeling van de pensioenen aan de inflatie, een gewekte verwachting sinds mensenheugenis, bleek niet zo vanzelfsprekend als menig oud-ambtenaar dacht. Hoe goed ABP ervoor zou staan als overheid en werknemers tussen 1996 en 2003 wél een kostendekkende premie hadden betaald, is een vraag die ABP nog altijd niet wil beantwoorden.

In reactie op de pensioencrisis ging de premie omhoog tot een meer dan een kostendekkend niveau. Maar denk niet dat de premiekorting uit de vette jaren '90 in dezelfde verhouding wordt gebruikt voor een premietoeslag in dit schrale decennium. Solidariteit blijkt geen tweerichtingsverkeer.

Hoe pakt dit per generatie uit? Grillig. Wie in de jaren '80 van zijn werkgever te weinig premie kreeg, verdiende een deel terug in de jaren '90, en betaalt nu het volle pond. Wie later begon, heeft jarenlang korting genoten. Wie onlangs begon, betaalt meer dan het volle pond. Maar er is wel één constante: wat je ook voor slechts van de vakbonden kunt zeggen, en daar is soms aanleiding voor, de jongere ambtenaren zouden hun ongenoegen beter op hun werkgever kunnen richten. Die heeft hun pensioenfonds decennia lang als melkkoe gebruikt.

Menno Tamminga is redacteur van NRC Handelsblad.