Kloppen

Mijn buurvrouw, die verstand van film heeft, vroeg: ,,Heb je de nieuwe Wenders al gezien?''

Nee, zei ik, ik wist niet eens meer hoe die heette. De reacties van de critici, in binnen- en buitenland, waren zo lauw geweest dat het me niet de moeite leek om te gaan kijken.

,,Hij heet Don't Come Knocking en hij is prachtig'', zei ze. En ze voegde er iets essentieels aan toe: ,,Als je van het werk van Wenders houdt.''

Omdat je beter een goede buurvrouw dan een verre filmcriticus kunt hebben, begaf ik me toch maar bioscoopwaarts. Hield ik eigenlijk wel genoeg van Wim Wenders, vroeg ik me onderweg nog af. Ik had twintig jaar geleden genoten van Paris, Texas en Der Amerikanische Freund, maar daarna had ik hem nogal verwaarloosd. Of dat door een tegenvallende film kwam, wist ik niet meer.

,,Ik moest die hele film door aan Hopper denken'', had mijn buurvrouw ook nog gezegd. Er dreigde een misverstand. Dennis Hopper, de acteur die eerder voor Wenders werkte? Nee, zei ze, Edward Hopper, de schilder.

Ze had het niet beter kunnen verwoorden. Wim Wenders is in deze film Edward Hopper. Hij schildert met zijn melancholieke beelden een Amerika bij elkaar dat we van de doeken van Hopper kennen: leeg, eenzaam, desolaat. Het landschap, ook het stedelijke, als weerspiegeling van de menselijke ziel, in dit geval die van Howard Spence, een beroemde, oude acteur (gespeeld door Sam Shepard, tevens de scenarioschrijver) die wegvlucht van de set waar hij zijn zoveelste western moet opnemen.

Spence heeft een leven van drank, drugs en vrouwen achter de rug en hij wil nog een paar mensen van vroeger opzoeken voor het te laat is. Hij zit niet in een midlifecrisis, maar een endlifecrisis – een type crisis dat minstens zo vaak voorkomt, maar waarover je minder hoort omdat oudere mensen er liever over zwijgen. Wat bezielt die Spence toch, vroeg een filmcriticus zich af. Dat moet een jonge criticus zijn.

Ook Spence zegt er zelf weinig over, hij is geen man van reflectie, opinie en debat, maar hij merkt kennelijk dat hij bezig is in een groot, donker gat te verdwijnen, zonder enig spoor na te laten in het gevoelsleven van anderen.

Dus zoekt hij zijn moeder en een oude minnares op, en komt via hen bij twee kinderen uit die hij ooit achteloos op de wereld heeft gezet. Behalve één kind, de dochter, zit niemand meer op hem te wachten. Dacht hij nu nog op deuren te kunnen kloppen die hij dertig jaar geleden achter zich had dichtgegooid? Nee, Spence, het is te laat.

Hoogtepunt van de film is het verblijf bij zijn moeder. Zij zegt hem de waarheid, maar beschermt hem ook tegen de buitenwereld, terwijl ze onverstoorbaar doorgaat met haar eigen leventje waarin hij allang niet meer past. Wenders neigt soms naar melodrama, maar de scènes met die moeder (gespeeld door de 81-jarige Eva Marie Saint, ooit een van Hitchcocks blonde seksblommen) zijn ontroerend.

Dus toch maar naar Don't Come Knocking gaan? Ik zou het doen – als u van Wenders, Hopper én Amerika houdt. Of als u nog iets heeft goed te maken met uw moeder.