Het gevaar van het moderne rivierbeheer

Een nieuwe studie bepaalt hoe groot de veerkracht is van het land om hoog water op te vangen. Rijkswaterstaat weet er nog geen raad mee.

In het nieuwe hoogwaterbeheer rond de grote rivieren schort het aan voldoende mogelijkheid tot effectmeting. Rijkswaterstaat verschoof een deel van haar aandacht onlangs van het voorkómen van overstromingen naar het opvangen van overstromingen. En zij rekent daarbij op de `veerkracht' van het mogelijk onderlopende rivierenland. Maar de waterstaat weet niet precies wat `veerkracht' is.

Dat is één van de conclusies die valt te trekken uit het proefschrift `Resilience and flood risk management' van landbouwkundig ingenieur Karin de Bruijn. Zij is daarop vanmiddag aan de Technische Universiteit van Delft gepromoveerd.

De Bruijn zelf trekt de conclusie niet: het was niet de opzet van haar onderzoek. Zij heeft slechts geprobeerd het begrip `veerkracht' (resilience) een definitie te geven die hanteerbaar is in het moderne hoogwaterbeheer. En zij verzamelde drie indicatoren waarmee de veerkracht is te kwantificeren. De bruikbaarheid van die indicatoren is voor drie cases onderzocht: de Rijn, de Maas, en de Mekong in Cambodja.

Een jaar of vijf geleden besloot Rijkswaterstaat in haar hoogwaterbeheer rond de grote riviren niet langer alle kaarten te zetten op het op peil houden van de `weerstand' tegen extreem hoog water. Dat is: de dijken steeds zoveel verhogen en verzwaren dat een al heel lang geleden gedefinieerde `ontwerpafvoer' van de rivier onder alle omstandigheden wordt tegengehouden. Rijkswaterstaat is, althans in woord, ook bereid gebleken incidenteel een hoogwatergolf op te vangen in het rivierenland. Daarbij wordt een beroep gedaan op het herstelvermogen van dit onderlopende land: de `veerkracht'.

De in dit verband gehanteerde begrippen `weerstand' en `veerkracht' zijn ontleend aan de systeem-ecologie waar ze in de jaren zeventig in gebruik raakten. `Weerstand' is het vermogen van een ecosysteem om verstoring te voorkomen, `veerkracht' is het vermogen om ervan herstellen. In de jaren tachtig is het `veerkracht'-concept in de VS in gebruik genomen om kwetsbaarheid van gebieden beneden stuwdammen te vergelijken. Rond 1998 is het geïntroduceerd in het overstromingsrisicobeheer van laaglandrivieren.

Een goede definitie van `veerkracht' staat een vergelijk tussen rivieren toe en maakt het ook mogelijk beheersmaatregelen ter vergroting van de veerkracht op hun merites te beoordelen. De Bruijn noemt veerkracht het vermogen van systemen (gebieden) om te herstellen van overstromingen, maar beklemtoont dat het om herstel van elementaire functies gaat. Het is niet noodzakelijk dat de oude toestand volledig terugkeert.

De Bruijn bouwt de veerkracht op uit de indicatoren amplitude, geleidelijkheid en herstelsnelheid. De amplitude bestaat eenvoudig uit de economische schade en het aantal slachtoffers dat een overstroming kost. De geleidelijkheid beschrijft de evenredigheid tussen verstoring en reactie. Hij geeft aan met hoeveel procent de verwachte schade toeneemt als de waterafvoer met een bepaald percentage toeneemt. Het is de maat die nog het meest op de klassieke elasticiteit of veerkracht lijkt. De herstelsnelheid is afhankelijk van fysische, economische en sociale factoren.