Zwijgplicht

Beste mevrouw Elsbeth Etty,

Ik ben het bijna altijd met u eens, ik ben het zo vaak met u eens, dat ik meestal niet de moeite neem uw stukken goed te lezen. Wat u denkt, denk ik toch al zelf, ik vind u een voorbeeldig mens en dat denk ik van mezelf soms ook.

Maar uw artikel `Een onafhankelijke vrouw zwijgt niet' (Opiniepagina, 6 oktober) las ik met aandacht. Ook met deze titel was ik het hartgrondig eens, hoewel ik vind dat een afhankelijke vrouw ook niet moet zwijgen. Het stuk ging over Mariken van Nieumeghen, van wie ik nog nooit had gehoord. Ze schijnt iemand van lang geleden te zijn, maar als goed journaliste actualiseerde u het verhaal door een verband te leggen tussen Van Nieumeghen en twee vrouwen van onze tijd, Ayaan Hirsi Ali en Hasna El Maroudi.

Wat de drie vrouwen gemeen hebben, is dat ze hun onafhankelijkheid opeisten door afscheid te nemen van hun geloof, op straffe van verbanning, opsluiting en zwijgplicht. Verbanning in het geval van Van Nieumeghen, opsluiting in het geval van Ayaan Hirsi Ali en zwijgplicht voor Hasna El Maroudi. Ik heb niet echt de indruk dat Hirsi Ali opgesloten zit, maar u zult het wel metaforisch bedoelen.

Maar het is de zwijgplicht van Hasna El Maroudi waar ik mij over verwonder. U schrijft dat zij in NRC Handelsblad een openhartige column had geschreven over de haat tussen Berbers en Arabieren en dat ze hierna dermate is bedreigd dat ze besloten heeft voortaan haar mond te houden.

U citeert uit haar afscheidscolumn: ,,Ik kan niet anders dan bezwijken onder de druk. Ik durf niet meer te schrijven wat ik wil.''

Ik ken Hasna El Maroudi niet persoonlijk, maar zij is volgens u een moderne moslima, bepaald geen afvallige, maar wel iemand die onafhankelijk, geëmancipeerd in het leven staat en precies dát wordt haar in bepaalde moslimkringen niet vergeven.

Ik heb de websites van die moslimkringen bezocht en inderdaad is wat we daar aantreffen niet misselijk. De meeste van de reacties vertonen een taalkundige obsessie voor faecaliën en de daarbij horende al dan niet likbare lichaamsopeningen, en worden allerlei medische aandoeningen als voorvoegsel gebruikt bij het woord voor vrouwen die in sommige culturen als onzedig te boek staan, maar bij ons sinds vijf jaar gewoon belasting moeten afdragen.

Nu moet u niet denken dat deze taalkundige voorliefde is voorbehouden aan moslimkringen, want ook op websites van niet- en zelfs antimoslimkringen wordt soortgelijk jargon gebezigd, dit keer gericht tegen de critici van Hasna El Maroudi.

Allemaal zeer afkeurenswaardige uitlatingen, die kennelijk door onze jongeren dagelijks worden verfijnd, maar laten we eens de openhartige column waarin El Maroudi de haat tussen Marokkaanse Berbers en Marokkanse Arabieren ter sprake brengt nader beschouwen.

U weet uiteraard dat Berbers zichzelf geen Berbers noemen maar Imazighen, die over Marokko heersten totdat de Arabieren hen zo'n duizend jaar geleden versloegen en naar het Rifgebied verdreven. Deze duizendjarige vete wordt door Hasna El Maroudi, zelf van Arabische afkomst, aan de orde gesteld in een column getiteld `De Berbers' (NRC Handelsblad, 11 juni), waarin ze een ontmoeting beschrijft met een Berberse man die wantrouwig naar haar afkomst informeert.

`Stinkberber', zegt ze stiekem te denken. Vervolgens schrijft ze dat wij Arabieren de Berbers onontwikkeld en primitief vinden en dat deze berggeiten daarom in Nederland het criminele pad opgaan en alle Marokkanen een slechte naam bezorgen.

Hasna El Maroudi bemerkt bij zichzelf een opgekropte woede tegenover Berbers. Vroeger maakte ze zelf geen onderscheid, maar ze is inmiddels danig verpest. Ze besluit met: ,,Ben ik geïndoctrineerd of zijn de Berbers gewoon echt heel stom?''

Op zulke openhartige ontboezemingen kwamen vele honderden openhartige reacties, als ook bedreigingen, bespuwingen en andere vormen van ontoelaatbaar molest.

De 21-jarige Hasna El Maroudi schreef nog een naschrift waarin ze zei dat ze alleen een discussie wilde aanwakkeren, waardoor de duizendjarige vete zou kunnen worden opgelost. Dat ze haar column ironisch had bedoeld en dat ze misschien was doorgeschoten in haar uitlatingen.

Het mocht niet baten en op 29 september schreef ze dat ze is bezweken onder de druk en ophoudt met haar column.

Weer honderden steunbetuigingen en opnieuw hatelijkheden, en journalisten trommelden de usual suspects op met de vraag wat ze ervan vonden: Rita Verdonk veroordeelde de reacties en Ayaan Hirsi Ali vond dat het niet kon. Heel verrassend was het niet, ik had liever gehoord wat Geert Mak of Pieter Hilhorst ervan vonden.

Maar u, mevrouw Etty, schrijft dat Hasna El Maroudi de mond is gesnoerd en dat zij is teruggeworpen in het hok (of de kooi) waaraan ze dacht te zijn ontsnapt.

U moet niet denken dat ik het in welk opzicht dan ook eens ben met spuwende of dreigende moslims of met lustig meegenietende en in hun vuistje lachende antimoslims. Het is ruw en gemeen geworden om ons heen en u en ik staan aan dezelfde kant, doorgaans. Zelfs in dit geval ben ik het hartgrondig met u eens dat niemand een zwijgplicht mag worden opgelegd; en dat zeker een columnist, zoals de hoofdredacteur van deze krant, Folkert Jensma, op 25 juni duidelijk maakte, nooit op grond van zijn persoonlijke mening uit de krant moet worden geweerd.

Maar wat wil het toeval? Dat er twee dagen na uw artikel een artikel in NRC Handelsblad staat van de socioloog J.A.A. van Doorn (Opinie & Debat, 8 oktober). Van Doorn was tot halverwege de herfst van 1990 columnist van deze krant, nu keert hij na vijftien jaar terug. Tot mijn vreugde, want Van Doorn is een scherpzinnige en stimulerende denker. Maar waarom was hij in 1990 ook alweer vertrokken? Omdat, naar ik overal hoor, juist in uw kringen zijn vertrek werd geeïst. Men vond dat hij een onbetamelijk verband had gelegd tussen journalisten van joodse afkomst en de pro-Israëlische berichtgeving in Nederland.

Als toenmalig redacteur van de opiniepagina van deze krant maakte u van zeer dichtbij mee hoe Van Doorn werd beschuldigd van antisemitisme en toen ook de toenmalige hoofdredacteur Ben Knapen zich achter de hetze schaarde, was het lot van de vermaarde socioloog bezegeld.

De huidige hoofdredactie is, blijkens een kadertje bij het artikel van Van Doorn van afgelopen zaterdag, van mening veranderd. Maar ik zou zo graag van u willen weten wat u vindt of vond van de zwijgplicht die een onafhankelijke man vijftien jaar geleden werd opgelegd.

ramdas@nrc.nl