Een revolutie in beelden

In de jaren zestig braken striptekenaars met alle conventies en taboes. Maar ook die rebelse geschiedenis behoort nu tot de canon.

Amerikaanse striptekenaars die op avontuur uit waren, leken in de jaren vijftig volledig getemd en onschadelijk gemaakt. De jacht van senator Joe McCarthy op vermeende communisten, bleek een ideale voedingsbodem voor het schrikwekkende boek The Seduction Of The Innocent van psychiater Fredric Wertham. Volgens dit schotschrift verloederden strips de prille jeugd.

In dat klimaat stortte de markt in. Tientallen uitgeverijen werden gesloten. De overgebleven uitgevers van stripbladen besloten tot zelfcensuur en richtten in 1954 de Comics Code Authority op, die strips moest vrijwaren van gruwelen, seks, politiek, racisme of geweld tegen politieagenten. Het enige blad dat zich er weinig van aantrok was het satirische tijdschrift Mad van Harvey Kurtzman. Dit blad wordt dan ook vaak genoemd als inspiratiebron in Rebel Visions: The Underground Comix Revolution 1963-1975 van Patrick Rosenkranz. Daarin wordt voor de eerste keer doorwrocht, informatief, en verantwoord het verhaal verteld van ontstaan, bloei en verval van de undergroundstrip, een alternatieve stroming die niet alleen de graphic novels heeft voortgebracht, maar ook de literatuur, film en muziek heeft beïnvloed.

Rosenkranz beschrijft de (gelukkig overvloedig geïllustreerde) geschiedenis van de undergroundstrip chronologisch, veelal in citaten van zo'n vijftig tekenaars, schrijvers en uitgevers die hij over een tijdspanne van dertig jaar regelmatig interviewde (en fotografeerde). Onder hen vinden we de beroemde Gilbert Shelton, Denis Kitchen, Art Spiegelman en natuurlijk Robert Crumb.

De alternatieve strip kwam begin jaren zestig langzaam op toen striptekenaars die weigeren zich te onderwerpen aan de Comics Code Authority, hun werk begonnen te publiceren in surfbladen, magazines en schoolkranten. De grote bloei van de underground begon in de tweede helft van de jaren zestig in het Haight district in San Francisco (en in mindere mate in the Lower Eastside in New York), waar een revolutionair mengsel ontstond van lsd, hippiecultuur, de protesten tegen de oorlog in Vietnam, popmuziek en de pil.

Volgens Bill Griffith, schepper van Zippy The Pinhead, de enige strip uit de underground die als dagelijkse krantenstrip voortleeft, beschouwden de striptekenaars zichzelf destijds als de eerste artiesten die voor hun eigen plezier werkten, en hun eigen ideeën op papier wilden zetten, in tegenstelling tot de tekenaars en schrijvers die in dienst waren bij een uitgever, waar zij zich moesten aanpassen aan de standaard. Een soortgelijke ontwikkeling vond plaats in de popmuziek, waar artiesten hun eigen nummers gingen schrijven.

Dat verlangen baas te zijn in eigen beeldverhaal (en het auteursrecht daarop te hebben) leidde, gecombineerd met goedkope drukmethoden en bedrijfsruimten, tot een stroom opwindende tegendraadse stripuitgaven, waarbij vooral werd gekozen tegen de gevestigde orde en elk taboe werd doorbroken.

De distributie van deze strips, vaak comix genoemd om ze te onderscheiden van de burgerlijke comics, verliep via zogenoemde headshops, waar de bladen werden aangeboden naast hasjpijpen en andere drugsattributen. Sommige titels haalden in de hoogtijdagen een oplage van 40.000 exemplaren. Ook werden de bladen door de makers of medewerkers op straat aangeboden. Robert Crumb verkocht zijn eigen blad Zap #1 op de hoek van Haight Street in San Francisco, waarbij hij zijn voorraad in een kinderwagen met zich meesjouwde.

In 1973 was het al voorbij. De markt voor comix stortte in door een combinatie van factoren: overaanbod, verharding van de drugswereld, sluiting van de headshops en nieuwe wettelijke maatregelen tegen obsceniteiten. Bovendien at de tegencultuur zijn eigen kinderen op: de verpolitiseerde alternatieve pers hekelde de strips wegens vermeend racisme of seksisme; vooral Crumb moest zich regelmatig verantwoorden tegenover feministen voor zijn grafische afbeeldingen van dikke vrouwen en ruwe seks.

De tijd deelt alles opnieuw in. Crumb en Spiegelman hangen nu in het museum, nostalgische babyboomers trekken nog wel eens een vergeelde strip uit de boekenkast, echte diehards koesteren hun in zuurvrij plastic verpakte zeldzame gesigneerde uitgaven. En Patrick Rosenkranz heeft gelukkig een prachtig boek gewijd aan de geschiedenis van de undergroundstrip.

Patrick Rosenkranz: Rebel Visions, The Underground Comix Revolution 1963-1975. Fantagraphics Books 2002, 292 blz. van €42,95 voor €14,95. Scheltema Amsterdam.

Een artikel van Rosenkranz over de Nederlandse underground comix is te lezen op members. aol.com/dutchcomix