Wijsgerige tieners

Soms valt een proefschrift ineens op door zijn titel. Wijsgerige aanleg bij tieners en dat dan ook nog afgeleid uit de gesprekken die ze voeren? Bestaat er zoiets, kun je dat vaststellen en vooral: hoe meet je dat dan? Geen eenvoudige vragen en Thecla Rondhuis heeft het zich ook niet gemakkelijk gemaakt om daar een antwoord op te vinden. Ze is waarschijnlijk wel de meest aangewezene om dat te doen, want ze is meer dan twintig jaar bezig kinderen op een praktische manier zelf kennis te laten maken met filosofie. Ze schreef Filosoferen met kinderen (1994) en Jong en wijs (2001), maakte televisieprogramma's waarin kinderen met elkaar over filosofische vraagstukken praten en had een column in Filosofie Magazine over de heel eigen manier waarop kinderen redeneren en gevolgtrekkingen maken.

Rondhuis begon haar onderzoek dus heel anders dan de meeste promovendi nu. Het thema van de dissertatie was nu eens niet de eerste eigen kennismaking met het onderwerp, zoals bij veel aio's onvermijdelijk het geval is, maar komt voort uit een grote kennis van het onderwerp en vele jaren ervaring als filosofiedocent in het voortgezet onderwijs. Dat verklaart misschien ook de vanzelfsprekendheid waarmee ze ook kwantitatief enorm veel materiaal van grote verscheidenheid kan presenteren. Uit bijna 100 gesprekken tussen steeds vier kinderen – `tetralogen'– zijn ruim 14.000 uitspraken geanalyseerd op hun filosofische gehalte. Om het allemaal nog wat ingewikkelder te maken zijn in het onderzoek zowel groepjes kinderen van 11 tot 13 jaar en van 14 tot 16 jaar betrokken, en van havo/vwo zowel als vmbo. In een apart hoofdstuk wordt ook nog een longitudinaal perspectief geboden. Vier jongens zijn in een periode van bijna tweeënhalf jaar negen keer bij elkaar gebracht rond een filosofisch thema.

Ook al gaat het om vragen als `kun je in de gevangenis vrij zijn?' of `is een Ferrari waarvan alle onderdelen vervangen zijn, nog de originele Ferrari?, de resultaten vallen niet mee. Naarmate de jongens langer van de lagere school zijn – ze zitten op het vmbo – en meer in de puberteit komen (dat denk ik althans), verliezen ze als filosofen aan kwaliteit.

Zonder ze als zodanig aan te duiden, kunnen kinderen wel heel goed met verschillende soorten filosofische vragen geconfronteerd worden. Een metafysische vraag naar de aard van de virtuele realiteit van het computerspelletje kan net zo goed als een meer kennistheoretisch probleem, een antropologisch vraagstuk (`kan een aap een kunstwerk maken?') of een morele kwestie (`wanneer is euthanasie toegestaan?'). De discussies die er in de groepjes over gevoerd worden, zijn soms verrassend lucide, maar zo nu en dan is er ook geen touw aan vast te knopen. Het gaat in het onderzoek ook niet om de uitkomsten van de gesprekken, maar om de wijze waarop de deelnemers hun aandeel vorm geven. Beschikken ze over een zekere mate van analyserend vermogen, kunnen ze onzekerheid aan en zijn ze nieuwsgierig, kunnen ze heen en weer gaan tussen theorie en praktijk? Uitgaand van deze vragen, die weer voortkomen uit de literatuur over wat filosoferen als activiteit kenmerkt, onderscheidt mevrouw Rondhuis vervolgens vijf indicatoren van filosofische kwaliteit: onbepaald denken, openheid, tentatief gedrag, epistemische positie (`ik denk', `ik vind') en redeneerkwaliteit.

Dat klinkt nog rijkelijk vaag, maar uiteindelijk blijken verschillende beoordelaars toch in hoge mate overeen te stemmen in het toekennen van de kenmerken aan de uitspraken van de kinderen. Het blijkt zelfs mogelijk om per deelnemend kind tot een `pq-waarde' te komen, dat wil zeggen tot een individuele beoordeling van de filosofische kwaliteit van het discussiepatroon van het kind. Ook op groepsniveau is zo'n beoordeling mogelijk. Een gemotiveerde en geïnteresseerde groep zal al snel in de onderlinge discussie een meerwaarde weten te creëren in vergelijking tot de prestaties van ieder groepslid afzonderlijk. Men inspireert elkaar en brengt elkaar op interessante gedachten. In een groep waar gekeet wordt of de leden zich niet veilig voelen, zal weinig filosofische kwaliteit worden aangetroffen.

Hoewel de filosofische thema's nogal verschillend van aard en moeilijkheid waren ('is niets misschien toch iets?'), blijkt dat niet van invloed op de filosofische kwaliteit van de gesprekken. Wel blijkt een persoonlijkheidskenmerk als `open voor nieuwe ervaringen' samen te hangen met filosofische kwaliteit, zoals ook het opleidingsniveau en taalvaardigheid, maar intelligentie maakt op zichzelf toch minder verschil. Filosofisch denken vraagt duidelijk om andere kwaliteiten dan alleen cognitieve. Er komen uit het onderzoek ook wel aanwijzingen dat er toch wel zoiets is als een talent om te filosoferen, dat al vrij vroeg blijkt en ook redelijk stabiel blijkt te zijn. Een beetje verstopt in de tekst staat overigens ook te lezen dat juist allochtone jongens het moeilijk hebben met filosofisch denken. Ze zijn niet erg open, hebben zich al jong traditionele denkpatronen over wat juist, goed en waar is eigen gemaakt en kunnen bovendien minder goed tegen de aanwezigheid van meisjes in de groep. Misschien komt daar toch ook een echt verschil in opvoedingsstijl en -idealen van de ouders tot uitdrukking. Zeker in jonge Nederlandse gezinnen staat de zelfontplooiing van de kinderen hoog in het vaandel, bij allochtone gezinnen worden aanpassing en gehoorzaamheid hoger aangeslagen.

Deze week stond in de krant een grote foto van het eerste college-uur in de imamopleiding aan de VU. Op het bord stond met grote letters `godsdienstfilosofie' geschreven, met een separatiebalk om godsdienst en filosofie van elkaar te scheiden. Onder filosofie stond ook nog `rationaliteit'. Ik heb geen idee wat de docent daar allemaal over wilde gaan vertellen, maar misschien ging het toch ook wel over het verschil tussen de open en vragende houding van de filosofie en het onvermijdelijk meer gesloten en antwoordende standpunt van de godsdienst. Mooi als er goed opgeleide imams, priesters en dominees zijn, maar het onderzoek van Thecla Rondhuis laat zien dat er ook veel voor te zeggen is meer dan nu aandacht en tijd te geven voor de ontwikkeling van filosofisch talent.

thecla rondhuis. philosophical talent. empirical investigations into philosophical features of adolescent's discourse. 213 blz. universiteit utrecht, 30 september 2005. promotoren prof.dr. g. heymans, dr. k.l. van der leeuw.