We kunnen hier nog veel leren

Ik hoorde dat ik hier burgemeester kon worden toen we met vakantie waren. Vorig jaar zomer was dat. We waren in Hongarije. We hadden de kinderen niks verteld, want we hadden er geen rekening mee gehouden dat het zou lukken.

Dus op de avond dat hier de vertrouwenscommissie vergaderde, zaten wij ergens ver weg in het buitenland, onbereikbaar. Ik zei tegen mijn man: weet je wat, we gaan naar een restaurant waar je mobiel kunt bellen, dan kunnen ze me in elk geval aan de lijn krijgen, en als ze niet bellen, hebben we lekker gegeten. Toen belden ze: ze wilden mij.

Dus nu ben ik `mevrouw de burgemeester' van Winsum, Groningen. Er is ook een Winsum, Friesland. Dat wist ik niet eens toen ik vorig jaar de vacature zag. Ik was toen namens de PvdA deelgemeentevoorzitter van IJsselmonde. IJsselmonde ligt in Rotterdam. Zelf kom ik uit Zeist.

De dag dat ik die advertentie las, vergaderden de voorzitters van de deelgemeenten over de invoering van een gezamenlijk telefoonnummer voor alle gemeentelijke voorzieningen. Ik was het met die invoering niet eens. Ik vond: zorg eerst maar eens dat de gemeentelijke voorzieningen verbeteren.

De vergadering was van half negen tot half tien, met aansluitend een overleg waar ik wel bij zou zijn. Dus ik kwam om half tien, en omdat de vergadering nog niet afgelopen was, ben ik aan de leestafel gaan zitten. Daar lag de Staatscourant van 1 april 2004. Ik bladerde erin en zag die vacature. Mijn eerste gedachte was: dat is lef, een advertentie voor een burgemeester op één april.

Toen ik 's avonds thuis kwam, ben ik op internet gaan kijken waar die gemeente dan wel niet lag. Mijn man zei: weet je wat, we gaan er dit weekeinde naartoe, we kijken hoe het er is, en als het je bevalt, dan schrijf je een briefje. Hij dacht: dat is goed voor haar, therapeutisch. Want ik vond mijn werk als deelgemeentevoorzitter steeds moeilijker worden. De dingen die je niet gedaan kreeg. De gepolariseerde verhoudingen.

Kijk, als hier ergens een bord moet worden geplaatst of een struik gesnoeid, dan kun je dat in een dag regelen. Dat moet ook. Als bestuurder moet je kunnen handelen. Anders word je ongeloofwaardig. Als hier sneeuw ligt en iemand belt: ik woon daar en daar, ik krijg straks iemand van de thuiszorg, maar mijn pad is nog niet schoon, dan regel je dat dat pad wordt geveegd. De burgers in deze gemeente weten: als ik de gemeente bel, komt het voor elkaar.

Maar toen ik nog deelgemeentevoorzitter was, wist ik als iemand kwam vragen of ergens de struiken konden worden gesnoeid: dat gaat voorlopig niet lukken. Want bij zoiets simpels waren dan allemaal diensten betrokken: gemeentewerken, onderwijs, sport en recreatie. Soms ging ik me al tegenover de vraagsteller indekken. Dan maakte ik de vraag ingewikkelder, zodat ik later zou kunnen uitleggen waarom het nog niet was gelukt. Dat is natuurlijk totaal verknipt.

Ik ging op een gegeven moment zelf ook denken in problemen en in politieke verhoudingen in plaats van in oplossingen. Ik dacht bijvoorbeeld: misschien heb ik wel argumenten om tegen de invoering van een gezamenlijk telefoonnummer voor alle gemeentelijke voorzieningen te zijn, maar ze denken natuurlijk dat ik ertegen ben omdat ik van een andere politieke partij ben.

En daar ga je dan op anticiperen. Je gaat ook zelf alles in het perspectief zetten van: wij van onze partij versus zij van de andere partijen. Zelfs over het aantrekken van een rode trui ging ik nadenken. Als je naar een receptie gaat, draag je dan iets roods om te laten zien: dit is mijn partij of doe je dat juist niet.

Wij leren hier opnieuw wat het betekent om je verantwoordelijkheid te nemen, de kinderen en ik. In de grote stad is het steeds meer geworden: de mensen zeggen wat ze vinden, wat ze denken en waar ze naar hun mening recht op hebben. Zelf hoeven ze geen verantwoordelijkheid te nemen, vinden ze.

Hier ligt dat heel anders. Dat merkten we toen we hier een week op de camping gingen staan, vorig jaar zomer, om de kinderen dan maar meteen te laten zien hoe het was. Ikzelf ging incognito, want mijn foto had in een paar lokale kranten gestaan, en ik wilde niet dat ze me zouden herkennen als de nieuwe burgemeester. Ik heb die hele week met een enorme hoed en een grote zonnebril op gelopen, mooi weer of niet.

Dus we wandelden door het dorp en we zagen dat wanneer tussen de middag de winkels dichtgingen, er dingen buiten bleven staan: bossen bloemen in een emmer, ontbijtkoeken in een mand, ansichtkaarten in een rek. Mijn kinderen zeiden: letten de mensen hier niet op hun spullen. Ze waren er gewoon verontwaardigd over.

Toen merkten wij dus pas goed wat het referentiekader van onze kinderen was. Als in een grote stad een ondernemer spullen buiten heeft staan, kun je denken: dat mag ik zeker meenemen, want anders zou hij het wel binnen zetten. Mijn kinderen waren bijna boos op die winkeliers, dat ze niet beter oppasten.

Wij moesten toen uitleggen: nee, het is eigenlijk andersom. Het is jouw verantwoordelijkheid dat jij je handen thuishoudt, niet die van de winkelier om het jou onmogelijk te maken iets mee te nemen. Als hier iets op de weg ligt dat uit een fietstas gevallen is, wordt het opgeraapt en even opzij gelegd. Dan kan degene die het verloren heeft, het terugvinden. Want het is niet van jou als je iets vindt, het is van iemand anders.

Er wordt hier dus weer een beroep gedaan op onze eigen verantwoordelijkheid: wij hebben de plicht iets dat we van de straat oprapen, zo neer te leggen dat de eigenaar het terug kan vinden. En als jij iets verliest, mag je erop vertrouwen dat iemand anders diezelfde verantwoordelijkheid neemt.

Dan heb je het dus over samen willen leven. En daar zijn de mensen zich hier ook echt van bewust: dat ze het samen moeten doen. Dat je niet alleen wat vraagt, maar ook wat geeft.

Mensen komen hier ook naar de vergadering van de gemeenteraad. Vaak zit de hele zaal vol. Want ze weten: als je de dingen niet met elkaar afspreekt, gebeuren ze straks misschien op een manier die niet de jouwe is. Dus zijn ze betrokken.

Het is wel wennen natuurlijk. Die eerste week op de camping wilden de kinderen op een dag naar het zwembad. We zeiden: ga maar, dan komen we jullie straks wel halen. In de stad kon dat niet, want ja, twee meisjes van acht en negen, er gebeurt wel eens wat in die zwembaden in de grote steden. Maar hier mochten ze alleen.

Een half uurtje later gingen we ernaartoe. Stonden ze bij het hek. Wat bleek: ze hadden geld over van de entree, dat geld hadden ze op de handdoeken laten liggen en toen ze weer bij de handdoeken kwamen, was het weg. Gestolen, dachten ze. Dus wij met ze naar de plek waar die handdoeken hadden gelegen. En daar lag het geld nog. Het was van de handdoeken gegleden. En niemand had het gepakt. Daar waren ze stomverbaasd over.

Ik heb die verbazing zelf ook nog, hoor. Ik heb er bijvoorbeeld een tijdje over gedaan om mijn fiets niet meer aan de ketting te zetten. Dan ging ik naar de bakker en was ik langer bezig met al die fietssloten dan met het kopen van het brood. Op een dag realiseerde ik me: de enige die hier de fiets aan de ketting legt, is de burgemeester. Nu zet ik mijn fiets alleen nog op het fietsslot.

Of neem de containers waar de mensen de oude kranten naar toe brengen, voor de muziekvereniging. Dat zijn van die hele grote containers, waar je in kunt lopen. Er staat een bordje bij: netjes opstapelen alstublieft. En de containers staan altijd open. Dus vroeg ik: moeten daar geen sloten op, om te voorkomen dat opgeschoten jongeren er vuurtjes in gaan stoken. Maar burgemeester, was het toen, als we die containers op slot doen, kunnen de mensen 's avonds de kranten niet meer kwijt.

Het zijn verschillende wereldbeelden. Ikzelf kom nog uit een dorp. Een groot dorp weliswaar, maar toch, ik weet nog dat het zo kan. Maar mijn kinderen wisten dat niet. Mijn kinderen zijn groot geworden met beelden van achterstand, verloedering en ieder voor zich. Ook al zijn ze zelf niet in een achterstandsmilieu opgegroeid, het is wel hun referentiekader.

Dat de wereld er ook anders uit kan zien, wisten ze dus gewoon niet. Toen ze op hun oude school vertelden dat ze gingen verhuizen en dat ze al waren wezen kijken, mochten ze vertellen hoe dat daar dan was, op het platteland. Nou, zei mijn jongste dochter, ze hebben er eigenlijk helemaal niks. Pas na lang nadenken was het: ze hebben bulten in het weiland, waar koeien opstaan, dat noemen ze wierden en daar zijn ze heel trots op. Maar dat geeft niet, zei ze, want verder hebben ze niks.

Ze bedoelde: er zijn geen flats, geen bioscopen, geen ziekenhuizen en geen trams. Mijn oudste dochter zag hier een keer een zonsondergang aan voor een reclamebord op een flat. Zo'n mooi beeld moet wel een billboard zijn, dacht ze. Zo diep zit het dus.

Toen ik solliciteerde, dacht ik: even een stapje opzij, bijkomen. Nu denk ik: ik kan hier nog veel leren. De burgemeesters in de provincie zijn vakmensen. Ze zijn bezig met besturen in plaats van met politiek bedrijven – en dan los je veel meer problemen op. Dan gaan de dingen beter en sneller.

Ook letterlijk. Vergaderingen duren hier korter. Als iemand iets gezegd heeft dat jij ook vindt, zeggen ze: dat heb je mooi gezegd. En dan gaan ze het niet nog een keer in andere woorden herhalen, omdat ze toevallig van een andere partij zijn en het ook gezegd willen hebben.

Ik denk nu: zoals ze het hier doen, wil ik het ook in de vingers krijgen. Dat je dingen oplost en daardoor weet: we doen het goed. Dat geeft je rust. Dan kun je ook zelf in een ander tempo gaan leven.

De avondvergaderingen beginnen hier om half acht. Vroeger moest ik nog eten om half acht. Maar veel mensen eten hier warm tussen de middag en om zes of zeven uur een boterham. Daar heb je niet zoveel tijd voor nodig.

En als je dan 's avonds zit te vergaderen en het is half tien, gaan ze al op hun horloge kijken. Als iemand om kwart voor tien dan nog het woord wil, roept iemand anders: bedtijd. En meestal is dan ook gezegd wat er gezegd moest worden.

Wilt u reageren? Stuur uw reactie naar zbrieven@nrc.nl of schrijf het Zaterdags Bijvoegsel, Postbus 8987, 3009 TH Rotterdam