Recht en rechtvaardigheid zijn twee verschillende dingen

Altijd weer hamer ik er op: het Vluchtelingenverdrag gaat over mensen. Dat wordt meteen duidelijk met de definitie. Daarin staat het begrip `vrees' centraal. Aan een subjectief begrip als `vrees' hebben juristen natuurlijk helemaal niets. Je bent bang voor Ajax of poedels. Je hebt een `fear of flying'. Toch staat het er. En terecht, het gaat immers om mensen. Gelukkig, voor de jurist en de samenleving als geheel, moet die subjectieve vrees geobjectiveerd worden: het gaat uiteindelijk om een gegronde vrees voor vervolging. Naast die vrees, die voorondersteld kan worden, gaat het er dus om de gegrondheid en de vervolging vast te stellen. Geen gemakkelijke taak. Niet voor asielzoekers, niet voor de IND en al helemaal niet voor buitenstaanders.

Migratoire bewegingen zijn er vele en van alle tijden. De grens ligt al lang niet meer bij Lobith – die is inmiddels opgeschoven naar het Loket. Het is een illusie te denken dat wij buitenlanders kunnen tegenhouden of dat wij ze kunnen dwingen terug te keren.

Uiteindelijk wordt migratie bepaald door push- en pullfactoren. De uitdaging, is er werk, zijn er vrienden of verwanten, blijft het loket open dat bepaalt de `pull'. De `push' wordt bepaald door oorlog, demografische ontwikkelingen, een slecht bestuur, een wanhopige economie, gesloten scholen, vervolging of verleidingen.

De `beweging' zelf, het reizen, is duur: reken op 5.000 euro voor een enkele reis naar Europa. De belangen zijn dus groot. Als reisagent word je geacht waar voor je geld te leveren. De meeste asielzoekers maken gebruik van zo'n agent. De belangen van agent en reiziger lopen veelal parallel. Maar niet altijd, en dan wordt de reiziger gedumpt. In zee, ergens aan land: hij/zij zoekt het maar uit en verzuipt dan, letterlijk of figuurlijk.

In zo'n klimaat is het voor een redelijk naïef mensenrechtenland als Nederland niet altijd gemakkelijk om het kaf van het koren te scheiden. Lange procedures, een hoog zieligheidsgehalte, noem maar op, allemaal ingrediënten om het land aantrekkelijk voor de migrant te maken. Een werkbare balans moest worden gevonden. En de IND doet het fout. Zoals de grap over de definitie van voetbal: 22 spelers, 1 scheidrechter, 90 minuten, een groen veld, 1 bal, en Duitsland wint. Maar het verschil is dat de IND het inderdaad vaak fout doet.

Maar hoe fout? Matsier poogt een Kafka, een Beckett en een Saramago in één te zijn. Het boek heeft een hoog Het proces- en Wachten op Godot-gehalte. Maar het geheel is onbevredigend, omdat Matsier van een procedure een roman probeert te maken. Procedures lenen zich niet voor een roman. Zelfs niet wanneer een poging wordt gedaan in de hoofden van al die ambtenaren, advocaten en griffiers te kijken. Toch beklijft Het 48ste uur, omdat we ons collectief schuldig voelen: we willen wel, maar eigenlijk ook niet. Het eeuwige conflict tussen ratio en emotie.

Waar gaat het om? Hoe hebben wij dat in Nederland geregeld? Eigenlijk heel simpel en heel logisch. De wetgever maakt een wet. In dit geval de Vreemdelingenwet 2000. De executieve, de uitvoerende macht, de minister dus, moet die wet uitvoeren. Binnen de executieve gebeurt het volgende: Vreemdelingenzaken vraagt Buitenlandse Zaken om een ambtsbericht; hoe is de situatie in bijvoorbeeld Soedan. Gevraagd wordt om een feitelijke beschrijving van de asielrechtelijk relevante mensenrechtensituatie. Let wel, zónder conclusies. De minister van Vreemdelingenzaken bestudeert dat ambtsbericht en trekt dan haar conclusies. Dat ambtsbericht én die conclusies stuurt ze vervolgens naar de Tweede Kamer. De Kamer, in de rol van controle-orgaan, gaat in gesprek met zowel Buitenlandse Zaken (over de verschafte informatie) als met Vreemdelingenzaken (over de conclusies). Op basis van die interactie kan een en ander worden aangepast. Maar vroeger of later is er een `beleid'. Dat beleid wordt vervolgens door een uitvoeringsorganisatie, een Agentschap, uitgevoerd. Dat Agentschap mag niet denken, het mag alleen maar doen: inderdaad, een beschikkingenfabriek. Denken doen ze maar in hun vrije tijd. Wél moeten ze nagaan of het verhaal en/of het personage geloofwaardig is. En dat is moeilijk, heel moeilijk, omdat de verhalen soms kloppen, soms ingestudeerd zijn, en soms onwaar op het belachelijke af. Het niet hebben van paspoorten of andere identiteitspapieren helpt dan niet echt.

Bij die `geloofwaardigheidstoets' kan de IND in de fout gaan en dat gebeurt dan ook. Niet altijd, maar het gebeurt. Gelukkig, zoals Matsier laat zien, hebben we dan nog een rechterlijke macht, die middels een marginale toets erger kan voorkomen. Kortom, de hele trias politica komt aan bod. Meer en beter kun je niet hebben.

De hamvraag is natuurlijk of zo'n moeilijke eerste beslissing wel binnen 48 uur (lees: vijf dagen) genomen kán worden. Ik ben van mening dat dat in principe heel wel mogelijk is. Natuurlijk niet bij alle gevallen. Maar bij veel, heel veel gevallen is snel duidelijk dat de asielaanvraag ondeugdelijk is. Zoals wij vroeger als onverbiddelijke leerlingen gelijk doorhadden dat een kwart van de nieuwe leraren het zou maken, een andere kwart binnen een half jaar afgeserveerd zou zijn, en dat bij de overige 50 procent het kwartje de ene of de andere kant zou vallen, – zo is het in asielland ook. Je zou dus een pleidooi kunnen voeren om voor de middelste 50 procent de 48-uur uit te breiden tot 72 of 96 uur. Maar dat doet niets af aan het principe.

Een goed vreemdelingenbeleid valt of staat met de juiste mix aan rechtsbescherming en effectiviteit. In Oost-Europa kom ik meestal een overmaat aan rechtsbescherming tegen (,,Ze zeiden dat dat moest...''). Die landen worden dus restrictief bij het toepassen van het vluchtelingenrecht. Ik probeer telkens weer het principe van the economy of procedures te promoten. Dan kun je nog redelijk genereus zijn. En de 48-uurs procedure valt binnen die norm. Ondanks de fouten.

Nederland is verre van volmaakt. Ook tegenover medeburgers maken uitvoerders, het openbaar ministerie en onze rechters fouten. Rechters moeten dus pruiken dragen, want `recht' is op zich al een illusie. Eerlijkheid bestaat niet, hebben mijn kinderen inmiddels geleerd. En toch moeten we ons aan rechterlijke uitspraken houden, eens of oneens.

En juist daar wringt de schoen. In een samenleving waarin zo'n rechterlijke uitspraak door jan (de wethouder) en alleman (de actiegroepen) aan de laars wordt gelapt, is het moeilijk om beleid te maken, laat staan om het uit te voeren.

Vaak als ik een enigszins bizar telefoongesprek voer, vraagt mijn 12-jarige dochter of ik nou cynisch, sarcastisch, ironisch of alledrie tegelijk was. Die vraag zou ik ook Nicolaas Matsier willen voorleggen. Is het serieus, is het sarcastisch, is het een aanklacht? En zo ja, waarom ?

Een belangrijke bestuursformule luidt: kwaliteit x acceptatie = effectiviteit. De kwaliteit is mijns inziens voldoende, maar kan natuurlijk altijd beter. Uiteindelijk toetst de rechter die kwaliteit. In asiel-land staat derhalve `acceptatie' centraal. De effectiviteit valt of staat met die acceptatie. Matsier suggereert dat wij de 48-uurs procedure niet zouden moeten accepteren. Daar ben ik het niet mee eens, omdat die procedure zowel binnen de normen van het vluchtelingen- en het asielrecht valt, alsook aan een maatschappelijke behoefte voldoet. Bovendien: zowel de ontvangende samenleving als de asielzoeker moet zo snel mogelijk weten waar zij aan toe zijn.

Es gibt Recht und Gerechtigkeit, schreef Dürrenmatt al. Misschien dat die begrippen ooit eens samenvallen.

Jarenlang voor UNHCR werkzaam (ook in de Soedan). Heeft veel ervaring met asielzaken en vertrekt binnenkort voor UNDP naar Laos.