Orkaan Katrina een buitenkansje voor het bedrijfsleven

De orkaan Katrina geeft en neemt, maar de vijfhonderd Amerikaanse ondernemingen van de Standard & Poor Index boeren goed. Het Amerikaanse beursweekblad Barron's verwacht dat ze voor het derde kwartaal gemiddeld 17,8 procent meer zullen verdienen dan in hetzelfde kwartaal vorig jaar. Dat wil zeggen dat deze ondernemingen al veertien kwartalen aan een stuk winst boeken met dubbele cijfers.

Het is alleen jammer, schrijft het blad, dat de winst dit kwartaal voor een groot deel te danken is aan de energiesector, die profiteert van de gevolgen van de orkaan Katrina. Zonder die meevaller zou de gemiddelde winstverwachting voor de 500 S & P ondernemingen niet 17,8 procent maar 11 procent bedragen. Ook de sector nutsbedrijven en de technologiesector hebben het dit lopende kwartaal goed gedaan, schrijft het blad. Daar staat tegenover dat de winstverwachting in de chemiesector 9 procent is gedaald. Ook de sector consumentengoederen blijft achter met een verwachte winstdaling van 4,9 procent. Die trend zal breder worden, omdat de groei van de economie volgend jaar zal afnemen. De beurskoersen beginnen zich al aan te passen aan de risico's. Want de markt is zich er al van bewust dat de kansen keren, constateert het blad.

Kansberekening blijft riskant. Weliswaar is het moderne kapitalisme gebaseerd op het managen van risico's, schrijft het tweewekelijkse Amerikaanse zakenblad Fortune, maar wie daar te veel op vertrouwt komt bedrogen uit. Een recent voorbeeld daarvan is dat een week voor de orkaan Katrina New Orleans onder water zette, in de stad een conferentie van olietechnici plaats vond onder de titel `Wat heeft de olie-industrie geleerd van de orkaan Ivan?' Niet veel, moesten de aanwezigen toegeven, maar daarvoor zouden ze nog ruim de tijd hebben. Volgens de wetten van de kansberekening zelfs tweehonderd jaar.

Dat neemt niet weg, zo meent het blad, dat het bedrijfsleven over het algemeen veel beter bleek te zijn voorbereid op de catastrofe dan de overheid. Dat komt doordat ,,markten en ondernemingen de beste risicobeheersers zijn die de mensheid heeft voortgebracht''. Dat wil echter niet zeggen dat het bedrijfsleven de overheid kan vervangen. Immers, het evacueren van een stad is iets anders dan zorgen dat de winkels open gaan. Daar komt bij dat emoties een goede risico-analyse in de weg zitten. Uit recent onderzoek aan Stanford University bleek dat mensen die hun emoties kwijt zijn door een beroerte veel beter presteren op de beurs dan mensen zonder hersenbeschadiging.

Het liberalisme, meent de filosoof Rüdiger Safranski in het Duitse maandblad Cicero, neemt de mens zoals hij is, maar koestert een gezond wantrouwen. Het gaat er van uit dat ,,de mens in de regel niet goed is, maar dat hij in een netwerk van sociaal-economische regels en relaties toch iets goeds kan bereiken''. Daardoor slaan we elkaar niet de hersens in, maar reguleren we onze agressie door middel van wedijver en concurrentie.

De auteur ontleent deze redenering aan het gedachtegoed van Immanuel Kant en meent dat het ook de basis is van Adam Smiths kerngedachte dat concurrentie een soort ,,onzichtbare hand'' is die de markt vormt. De auteur kwalificeert de markt als ,,een zichzelf regulerende ordening die de vrijheid van het individu hoog acht en de gemeenschap ten goede komt''. Hij legt ook een verband met de scheiding der machten van Montesquieu, in een wetgevende, rechterlijke en uitvoerende macht. Deze was volgens de auteur bedoeld om absolute vrijheid te beperken en om te voorkomen dat een der machten het monopolie zou krijgen.

Dat idee moeten we volgens hem ook toepassen op de relatie tussen economie en politiek. Immers, ,,de marxisten wilden de markt afschaffen en gaven de politiek de alleenheerschappij''. Hoe dat afliep is bekend. De radicale liberalen schaffen de politiek af en geven de alleenheerschappij aan de markt. Dat hebben we ook al gezien, meent de auteur, want de crisis van de wereldeconomie in de vorige eeuw was een van de voorwaarden voor de opkomst van het nationaal-socialisme. De catastrofen van de vorige eeuw, aldus de auteur, hebben geleerd dat economische en politieke macht elkaar in evenwicht moeten houden.

De ene overheid is de andere niet, zeker niet als het gaat om de invoering van grote systemen van informatietechnologie. De Nederlandse en Japanse overheid scoren het beste, schrijft het Britse maandblad Prospect, terwijl de Britse overheid er een potje van maakt. Want Groot-Brittannië staat aan de top als het gaat om het afblazen van IT-systemen die niet blijken te functioneren. Dat blijkt uit een onderzoek van Patrick Dunleavy van de London School of Economics en Helen Margett van de universiteit van Oxford. Bij het onderzoek waren zeven landen betrokken. Naast Nederland, Japan en Groot-Brittannië waren dat Australië, Nieuw-Zeeland, Canada en de Verenigde Staten. Het onderzoek ging over de periode van 1990 tot 2003. Volgens de onderzoekers zijn de projecten in Groot-Brittannië vaak veel te groot, ontbreekt het aan professionele vaardigheid, zijn er te veel organisaties bij betrokken en is er onvoldoende concurrentie. Voeg daarbij een hyperactieve wetgevende macht en het recept voor mislukking is klaar.