Het nationalisme is terug in Europa, met een nieuw gezicht

Een oud spook waart door Europa, het spook van het nationalisme. De Sovjet-Unie is eraan bezweken, Oost-Europese naties zijn uiteengespat. De Europese Unie wordt een halt toegeroepen en bevolkingen in multiculturele landen bekeren zich tot een nieuw volksnationalisme.

Toen vijftien jaar geleden de deur van NRC Handelsblad achter mij dichtviel, was het lente in Europa. De winter van het Sovjet-communisme was voorbij. De politieke permafrost die gedurende een halve eeuw oostelijk Europa in een verstarrende greep had gehouden, smolt weg als was het een laag natte sneeuw.

De toekomst beloofde vrede, vrijheid en welvaart. Vrede allereerst: de Koude Oorlog die als een doem over de wereld had gehangen, was beëindigd. De bewapeningswedloop tussen Oost en West was in een ontwapeningswedloop omgeslagen.

Verrassender nog, ontroerend zelfs, was de opstand van de burgers die in land na land, als bij een estafette, de machthebbers zonder geweld tot aftreden dwongen. In de hoofdsteden van Oost-Europa scandeerden reusachtige menigten varianten op de schitterende Duitse leus: Wir sind das Volk.

En op termijn leek welvaart verzekerd, dankzij de vrije markt die de failliete commando-economie zou wegvagen. De `bloeiende landschappen' die de DDR waren beloofd, waren de toekomst van heel oostelijk Europa.

Waar nu nog chaos heerste, zou het Westen orde op zaken stellen. De NAVO zou haar grenzen verleggen totdat op het hele continent vrede en veiligheid waren gegarandeerd. De Europese Unie kon eindelijk worden wat haar naam beloofde: een waarlijk Europese economische gemeenschap.

Nu ik vijftien jaar later de deur van NRC Handelsblad weer geopend vind, is het herfst in Europa. Niet dat er tussentijds geen zomerse perioden zijn geweest. Economisch is MiddenEuropa op de goede weg. De EU nadert volgens plan haar kwantitatieve voltooiing. Hier en daar hebben democratische en rechtsstatelijke instituties wortel geschoten. Optimisten houden moed.

Maar pessimisten hebben de overhand. Het nieuwe Oost-Europa is politiek meer versplinterd dan ooit in zijn geschiedenis. Rivaliteit tussen staten en tussen etnische groepen binnen staten is wijdverbreid en neemt vaak bittere vormen aan. In de zuidelijke periferie van Rusland woedt een uitzichtloze, barbaarse oorlog. Delen van het voormalige Joegoslavië blijven hoogst instabiel en vormen in feite mandaatgebieden van internationale organisaties.

Met de oude samenwerkingsverbanden is het evenmin florissant gesteld. De NAVO is verdeeld en zoekt enigszins ongericht naar nieuwe bezigheden. De Europese Unie verkeert in een crisis die zowel haar legitimiteit als haar effectiviteit dreigt aan te tasten. In de resultaten van het recente referendum over de Europses Grondwet heeft de groeiende euroscepsis voor het eerst haar tanden laten zien. Het zijn enkele voorbeelden van de wanorde die momenteel in Europa heerst. Ongetwijfeld zijn er even zovele oorzaken aan te wijzen. Toch menen wij dat een speciale factor bijzondere aandacht verdient. Het is de herleving van een politieke kracht die lange tijd als atavistisch is afgedaan en bijgevolg consequent is onderschat: nationalisme.

Het voornaamste slachtoffer is het voormalige Sovjet-imperium geweest. Alle pogingen van Michail Gorbatsjov, over jaren aangewend, om de volledige desintegratie van de Unie door politieke hervormingen halverwege te stuiten, zijn vergeefs gebleken. Nog voordat de Sovjet-Unie einde 1991 ter ziele ging, was ze al in stukken uiteengevallen.

De halve eeuw van gedwongen proletarische broederschap bleek opvallend weinig sporen te hebben nagelaten, of het moesten littekens zijn die alsnog gingen schrijnen. Na de satellietstaten verkozen vele grensregio's onafhankelijkheid boven samenwerking. Maar de verkruimeling woekerde verder door. Dat Tsjechoslowakije, in 1989 van het sovjetjuk bevrijd, al drie jaar later in twee staten uiteenviel, is historisch nog wel te begrijpen, maar dat het kleine Moldavië, met vier miljoen inwoners, al meteen in drie `republieken' uiteen dreigde te vallen, onthult een ander verschijnsel: etno-nationalisme.

Het meest dramatisch was uiteraard de ondergang van Joegoslavië in een burgeroorlog die ongeveer 200.000 doden kostte en 2,5 miljoen mensen tot vluchteling maakte. En ook hier voortgaande ontbinding: Bosnië, dat met drie etnisch-nationale partijen wanhopig een staatkundige eenheid blijft suggereren.

Het zijn voorbeelden van de algemene tendens dat dekolonisatie vaak tot cultureel conservatisme leidt en dat democratisering het nationale sentiment versterkt. Vrij om te kiezen, keert men terug naar de geschiedenis, overal in Oost-Europa en het meest verbluffend in Rusland, waar St. Petersburg zijn naam heeft weergekregen, de `Doema' is herrezen, de kerk opnieuw openbare functies vervult en monumenten van het ancien régime worden herbouwd en gerestaureerd.

Een leerzaam schouwspel: het effect van driekwart eeuw intensieve politisering blijkt niet veel meer te zijn dan een dunne bovenlaag die gemakkelijk is weg te scheppen om de onderliggende rotsgrond van cultuur en religie aan de oppervlakte te brengen.

West-Europa had de instorting van het Sovjet-bouwwerk uiteraard met voldoening gadegeslagen, maar het puinveld dat spoedig daarna zichtbaar werd, wekte naast betrokkenheid vooral verontrusting. Vooral toen op de Balkan grof geweld losbarstte, besloot men tot interventie. Zoiets paste niet in de achtertuin van een beschaafd continent. De West-Europeanen hadden elkaar al een halve eeuw geleden gevonden en de oorlog uitgebannen; de Oost-Europeanen dienden dat mooie voorbeeld te volgen.

Het was een iets te parmantige opstelling, en niet alleen omdat men op de zaak geen greep kreeg. Want terwijl het Westen met geld, goede woorden en vredesoperaties het `Wilde Oosten' (vrij naar Henk Hofland) trachtte te pacificeren, begonnen in eigen huis de politieke krammen los te laten. Het bleek steeds meer moeite te kosten de karavaan van de Europese Unie op de weg te houden, omdat te veel chauffeurs hun eigen stuurkunsten wilden blijven vertonen.

In de jaren negentig was de Europese Unie inderdaad in een malaise terechtgekomen. Het Verdrag van Maastricht, in 1992 gesloten, werd algemeen als een nederlaag voor de Europese samenwerking gezien. Wat ernstiger is: de post-Maastricht depressie zou nooit meer geheel worden overwonnen. Ook `Amsterdam' (1997) bood een beeld van diepgaande verdeeldheid, gecamoufleerd door de sindsdien gebruikelijke strategie alle majeure beslissingen als hete aardappelen voor zich uit te schuiven.

Er waren ook successen. De euro werd ingevoerd en grommend aanvaard en de uitbreiding tot 25 lidstaten kreeg in 2004 haar beslag. Maar de rek lijkt er nu definitief uit te zijn. Overstretch is de uitdrukking. Dit jaar kwam de reactie: de afwijzing bij referendum van de Europese Grondwet, in Frankrijk en vervolgens met meer nadruk in Nederland.

Sinds vorige maand begint Brussel de rekening te betalen. Voor het eerst in de geschiedenis van de EU zal een aantal wetsvoorstellen bij voorbaat worden ingetrokken, terwijl de bestaande 20.000 (sic!) wetten onder de loep worden gelegd. Een `midlifecrisis' volgens optimisten; een keerpunt volgens pessimisten.

De geschiedenis zal het uitwijzen, maar het is zeker niet uitgesloten dat de succesvolle uitbreiding van de Unie tot vrijwel geheel Europa een curse in disguise zal blijken te zijn. Wat is de winst? Europa als geheel is heterogener en armer geworden en elke staat krijgt aanzienlijk minder macht dan voorheen. Dat moet wringen.

Er is overigens nog een andere reden waarom Europa moeilijk te verenigen is. Dan bedoel ik niet de inderdaad unieke culturele pluriformiteit van het oude continent al telt dat natuurlijk ook zwaar mee maar de weerbarstigheid van het staatstype dat zich hier in de twintigste eeuw heeft ontwikkeld.

Hoe men het ook wil noemen, welfare state, sociale zekerheids- of verzorgingsstaat, Rijnlands model, corporatisme desnoods – het berust steeds op een fusie tussen omvangrijke overheidstaken en maatschappelijke belangen. Bij aanvaarding van de markteconomie heeft de staat daarnaast de zware verantwoordelijkheid aanvaard voor collectieve verplichtingen die de burgers ten goede komen. Kort en goed: naast de aloude soevereiniteitsfunctie vervult de staat solidariteitsfuncties.

Het zijn de laatste functies die momenteel de straffe wind van de economische mondialisering voelen. Bij de EU bescherming zoeken heeft weinig zin, omdat de Unie vanouds en in hoofdzaak een vrije (binnen-)markt beoogt te scheppen. Het is bij de duivel te biecht gaan.

Vandaar wellicht de huidige roep om `renationalisering', tot op grote hoogte een fluiten in het donker, maar gegeven het massale ongenoegen over de Brusselse hyperbureaucratie een wel zeer hoorbaar gefluit.

Achteraf gezien zijn de jaren 1990-2001 een intermezzo geweest, een overgangsperiode tussen het einde van de Koude Oorlog en het begin van de Global War On Terror. 9/11 was de cesuur. Een nieuwe vijand was geboren: terrorisme verving communisme.

Het publieke debat nam wereldwijd een wending. Het faciele optimisme van Francis Fukuyama dat zo prettig paste bij het florissante beursklimaat van de late jaren negentig, maakt plaats voor het grimmige pessimisme van Samuel Huntington, wiens Spengleriaanse aankondiging van een mondiale Clash of civilizations (1997) in 2001 onverwachts plausibel werd. Had hij al niet een onvermijdelijke botsing met de islamitische wereld voorspeld?

Het bleef niet bij discussies. Tot lichte verbijstering van veel Europeanen was het ineens weer oorlog, volgens sommige opgewonden Amerikanen zelfs het begin van de Vierde Wereldoorlog. Maar de eensgezindheid uit de tijd van de Koude Oorlog wilde niet ontluiken. Integendeel. Irak werkte als een splijtzwam en verdeelde de internationale gemeenschap tot op het bot. De NAVO kwam in de problemen en de Verenigde Naties, door Amerika openlijk gebagatelliseerd, beleefden een heuse crisis.

Nationale tradities en belangen – ons onderwerp – gingen als vanouds het spel bepalen. Al dan niet bewust door Amerika uit elkaar gespeeld, zochten de Europese staten naar een eigen positie tegenover de opdringerige hegemonon. Duitsland ging dwarsliggen, Polen bleek te koop, Nederland was politiek akkoord maar bleef militair afhoudend, voor een tijdje in ieder geval. Heel polderachtig.

Het verschil met de Koude Oorlog is niet moeilijk te begrijpen. Communistisch Rusland bedreigde destijds de West-Europese staten die zich dus onder leiding van Amerika teweerstelden. Het terrorisme leek primair tegen de Verenigde Staten gericht en het liet, zeker aanvankelijk, Europa ongemoeid. Daarbij komt het verschil tussen de Koude Oorlog als potentieel `normaal' conflict tussen strijdkrachten en het terrorisme waarop een militair bondgenootschap niet het geëigende antwoord is, eerder een samenwerking tussen inlichtingendiensten.

Terwijl de uitdaging van het islamisme de internationale gemeenschap meer uiteendreef dan verenigde, werden binnen veel natiestaten de gelederen juist sterker gesloten. De aanwezige moslims, later alle vreemdelingen of allochtonen, werden voor het eerst als een risicogroep gedefinieerd. De voorheen gietijzeren politieke correctheid maakte plaats voor kritische visitatie van de aanwezige culturele minderheden; de verplichte tolerantie werd vervolgens in toenemende mate geclausuleerd en letterlijk voorwaardelijk.

De veranderde houding aan autochtone kant is zeker voor een groot deel te verklaren uit de schok die de inspectie van de allochtone gemeenschappen teweegbracht. Wat men aantrof, valt nog het best te omschrijven als een vorm van etnisch of volksnationalisme, wortelend in een gemeenschappelijke religie, taal en cultuur. Dominant is de collectiviteit, ondergeschikt de individuele voorkeur.

Dergelijk nationalisme kennen moderne burgers hooguit in sterk verdunde vorm. Hun nationalisme is overwegend burgerlijk van aard. De legitimiteit van de nationale orde en de loyaliteit van de burgers berusten op de erkenning van gemeenschappelijke politieke ideeën en zijn verankerd in formele instituties, met name de rechtsstaat. Centraal staan de rechten van het individu: elke publieke collectiviteit is een afgeleide.

De confrontatie met het vreemde volksnationalisme had, ironisch genoeg, een effect dat al door de dichter Leopold was voorzien: ,,Wie anderen bespreekt, bespreekt zichzelf; er komt niet uit de kruik dan wat er in is.'' Want inderdaad: in tal van landen maakt zich momenteel een reactief, in eigen bodem wortelend volksnationalisme breed, dat onder autochtonen bijval vindt en door regeringen niet zelden wordt aangemoedigd.

Niet toevallig loopt Nederland voorop. Als typisch burgerlijke natie, volgens sommige kenners niet vrij van `zelfhaat', viel er in deze `tijd van cholera' heel wat in te halen. En het lukt. Vaderlandse geschiedenis is weer onze eerste inspiratiebron, per officieel goedgekeurde canon aan de jeugd voorgeschreven; en aan binnenkomers: `Importbruid moet Thorbecke kennen!' luidde een kop in deze krant.

Christelijke normen en waarden, subsidiair `de Verlichting', regeren als vanouds onze publieke moraal. Wie onder onze driekleur wil leven, kan het lot treffen door een minister te worden uitgenodigd om met haar het Wilhelmus te zingen – helaas het Wilhelmus, want ooit hadden wij een volkslied dat onomwonden tot uitdrukking bracht dat Neerlands bloed van vreemde smetten vrij moet zijn.

Vatten we, als goede schoolmeester, het betoog nog even samen. De korte twintigste eeuw – van 1914 tot 1991 – was een ideologisch tijdperk. Het nationalisme was ondergeschikt gemaakt aan wervende politieke doctrines, variërend van het geloof in universele mensenrechten tot de droom van een communistische wereldrijk, al werd ook op bescheidener schaal gedacht, zoals door christen-democraten en democratisch socialisten.

`The end of ideology', door Daniel Bell al in 1960 aangekondigd, is nu eindelijk een feit. Wat blijft en de toekomst lijkt te hebben, is ons nationale elftal, de vertrouwde nestwarmte van het eigen volk, de mythe van het door God gezegende vaderland en zo mogelijk de vaste hand van een staatsman die de wil van de natie weet te vertolken.

Oud-hoogleraar sociologie aan de Erasmus Universiteit. Recente publicatie `Gevangen in de tijd. Over generaties en hun geschiedenis'