Europa moet nieuwsgierigheid steunen

Het World Economic Forum presenteerde vorige week zijn jaarlijkse lijst van de meest competitieve landen ter wereld. Nederland staat op slechts de elfde plaats. Europa moet flink in onderzoek en ontwikkeling gaan investeren. ,,De kennismaatschappij is de enige manier om het Europese samenlevingsmodel in stand te houden.''

Vanaf de val van het communisme in Oost-Europa heeft Tamas Ladomery gewerkt aan de opbouw van zijn bedrijf, Diatron, dat bloedceltellers fabriceert in Hongarije, sinds mei vorig jaar lid van de Europese Unie. Diatron werd geconfronteerd met hevige concurrentie uit de Verenigde Staten en Azië en heeft daarom zwaar geïnvesteerd in onderzoek en vernieuwing. Nu maakt het bedrijf gespecialiseerde machines voor artsen en veterinaire chirurgen.

,,Aanvankelijk was dat echt riskant, maar we geloofden in onze ideeën'', zegt Ladomery, een 46-jarige ingenieur. ,,Tien jaar geleden was het onmogelijk geld te krijgen voor onderzoek en ontwikkeling. Nu kunnen we geld krijgen van de EU en de Hongaarse overheid.'' Het bedrijf heeft 75 werknemers en besteedt ruim 10 procent van de omzet van 9 miljoen euro aan onderzoek en ontwikkeling.

Vernieuwers als Tamas Ladomery zijn van cruciaal belang voor het herstel van de economische concurrentiekracht van de EU. Daar is bijna iedere Europese beleidsmaker en industrieel het wel over eens. Op een hele reeks punten, waaronder het aandeel van het nationaal inkomen dat aan onderzoek en ontwikkeling wordt besteed, scoort de EU veel slechter dan de VS. Bovendien raakt zij banen in de high-tech sector kwijt aan snelgroeiende Aziatische landen. Europa heeft zijn voorsprong op het gebied van onderzoek en ontwikkeling in de farmaceutische industrie aan de VS verloren, en de VS liggen ook voor op het terrein van de biotechnologie.

De beste Europese studenten willen studeren aan Amerikaanse universiteiten, die net zo beroemd zijn om hun ondernemersopleidingen als om hun wetenschappelijke verdiensten. Uit een dit jaar gehouden onderzoek blijkt dat de helft van de Duitse bedrijven, die investeerden in onderzoek en ontwikkeling in andere landen, op de binnenlandse faciliteiten bezuinigde. Britse universiteiten melden dalingen met wel 50 procent van de aantallen Aziatische studenten die zich inschrijven voor postdoctorale opleidingen.

EU-commissaris voor onderzoek en ontwikkeling Janez Potocnik zegt dat ,,het bouwen van de kennismaatschappij waarschijnlijk de beste en wellicht de enige manier is om het Europese samenlevingsmodel in stand te houden''. Stefan Marcinowski, verantwoordelijk voor onderzoek en ontwikkeling bij het Duitse chemieconcern BASF: ,,In Europa hebben we geen onontgonnen bodemschatten. We moeten ons verlaten op de hersenen en de vaardigheden die nodig zijn om producten te maken die betere prestaties leveren, van betere kwaliteit zijn en minder energie verbruiken. Zo heeft Europa zich sinds de dagen van kolen en staal door de afgelopen twee eeuwen heengeslagen.''

De regeringsleiders van de EU-landen hebben zich daarom – als onderdeel van de zogenoemde Lissabon-agenda voor de stimulering van de concurrentiekracht – ten doel gesteld de uitgaven aan onderzoek en ontwikkeling te laten stijgen tot minimaal 3 procent van het bruto binnenlands product (bbp) in 2010. De bijdrage van de privé-sector moet toenemen van krap de helft tot tweederde daarvan. Als teken van goede wil is de Europese Commissie ook van plan het eigen EU-budget voor onderzoek en ontwikkeling in de begrotingsperiode 2007-2013 tot 10 miljard euro te verdubbelen.

Het formuleren van doelstellingen is één ding, het bereiken daarvan is iets anders. De uitgaven aan onderzoek en ontwikkeling zijn in de EU de afgelopen paar jaar sneller gestegen dan in de VS, maar bedroegen in 2002 slechts 1,93 procent van het bbp, aldus Eurostat, de Europese dienst voor de statistiek. De overeenkomstige cijfers voor de VS en Japan waren 2,76 procent en 3,12 procent.

De stimulans voor de Europese concurrentiekracht waar de Lissabon-agenda in voorziet, vergt grote aantallen extra personeel. De Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (OESO) merkte vorig jaar op dat het aantal extra onderzoekers de 500.000 kan overstijgen: ,,Dat roept vragen op over toekomstige aantallen werknemers in de wetenschap en de technologie''. In Hongarije (waar de uitgaven aan onderzoek en ontwikkeling minder dan 1 procent van het bbp zijn) maken wetenschappers de grap dat de doelstelling van 3 procent doet denken aan de vijfjarenplannen uit de communistische tijd. Franse wetenschappers merken droogjes op dat Frankrijk – dat 2,19 procent van het bbp aan onderzoek en ontwikkeling besteedt – al sinds de jaren zestig onder Charles de Gaulle een doelstelling van 3 procent kent.

Sommige EU-landen, zoals Zweden en Finland, geven veel meer aan onderzoek en ontwikkeling uit dan 3 procent van hun bbp, dankzij het plaatselijke belang van grote technologiebedrijven als Ericsson en Nokia. Europa is eveneens sterk in bepaalde sectoren, zoals de auto-industrie en de informatietechnologie. Bovendien: is het niet eenvoudigweg zo dat de Europeanen altijd denken dat elders alles beter is? Susan Hockfield, de nieuwe president van het Massachusetts Institute of Technology, beklaagde zich onlangs in de Financial Times over het feit dat de VS achterop raken in de wiskunde en de wetenschap. De Amerikaanse uitgaven voor fundamenteel onderzoek moeten nodig omhoog, vindt zij.

Dat maakt het nog niet makkelijker om de gemiddelde EU-uitgaven aan R&D op te krikken. In de privé-sector zijn besluiten over uitgaven aan onderzoek en ontwikkeling afhankelijk van commerciële factoren, zoals de kostenbasis of het aanbod aan talent. De globalisering, plus de inspanningen van landen als China om hun eigen onderzoek en ontwikkeling op een hoger peil te tillen, zorgen ervoor dat de investeringen buiten Europa stijgen. De Zwitserse farmaciereus Novartis besloot drie jaar geleden bijvoorbeeld zijn belangrijkste onderzoekslaboratorium te verhuizen naar Cambridge, Massachusetts, omdat die regio het grootste aantal wetenschappers en ziekenhuizen telde die nog niet voor een bedrijf werkten.

Hogere overheidsuitgaven spelen een rol bij het versterken van de aantrekkingskracht van Europa als plek voor investeringen in onderzoek en ontwikkeling, maar dat is niet zonder gevaar. Economen zijn verdeeld over de vraag of hogere overheidsuitgaven aan onderzoek niet simpelweg ten koste gaan van de onderzoeksuitgaven van de privé-sector. Met andere woorden: of financiering door de overheid er niet gewoon toe leidt dat bedrijven minder aan onderzoek en ontwikkeling besteden.

Anderen zetten vraagtekens bij de op EU-niveau geplande extra uitgaven. Bij grote wetenschappelijke projecten is de EU berucht om zijn trage besluitvorming. Een EU-functionaris die aan de volgende begrotingsronde werkt – en niet met naam wil worden genoemd – zegt: ,,Deze verdubbeling van de onderzoeksuitgaven was een uit de lucht geplukt getal, omdat we denken dat het belangrijk is. Maar ik denk dat we net zo goed met minder toekunnen.''

Potocnik, de Sloveense EU-commissaris, houdt staande dat Brussel een grote stijging ,,effectief kan afhandelen''. Maar de Europese Rekenkamer, die de EU-uitgaven bewaakt, twijfelt daaraan. In haar rapport over 2003 onderstreept deze instelling de ingewikkelde managementprocessen die hierbij een rol spelen. De Rekenkamer vreest voor een ,,verbrokkeling van programma's'' en daardoor een verwatering van verantwoordelijkheden. De Rekenkamer signaleert eveneens ,,een aanzienlijke hoeveelheid fouten'' bij betalingen en een slecht functionerend informatiebeheersysteem. Op hun beurt klagen de wetenschappers over de bureaucratie waarmee ze te maken krijgen bij het aanvragen van Europese subsidies. De Hongaar Tamas Ladomery herinnert zich levendig de bureaucratische hindernissen die Diatron moest overwinnen: ,,Tegen de tijd dat je sommige papieren eindelijk in orde had, waren andere niet meer geldig''.

De Commissie wil deze problemen aanpakken door de regels voor subsidieaanvragen te vereenvoudigen, het projectmanagement aan een nieuwe dienst uit te besteden en uitmuntendheid te bevorderen door de instelling van een nieuwe Europese Onderzoeksraad. Maar dat voorstel heeft al tot onrust geleid in sommige EU-landen, die bang zijn dat het een middel wordt om EU-geld door te sluizen naar de elite-instellingen met de beste staat van dienst op onderzoeksgebied, voornamelijk in Groot-Brittannië, de Scandinavische landen en Nederland. ,,Het is vooral een probleem voor landen als Spanje, maar ook Frankrijk en Duitsland zullen hier niet zo goed uitspringen'', zegt een met het economisch beleid belaste ambtenaar van de Commissie.

,,Het is niet genoeg om hier geld tegenaan te gooien'', zegt Georges Haour, hoogleraar technologiebeheer aan het Internationaal Instituut voor Managementontwikkeling in Lausanne. ,,Het is een sector waarin je enorme hoeveelheden geld kunt investeren zonder dat er iets uit komt, en waarin je soms vrijwel niets hoeft te investeren om toch een doorbraak te bereiken.''

Van essentieel belang is het stimuleren van het ,,door nieuwsgierigheid gedreven onderzoek'', dat niet over specifieke commerciële toepassingen gaat, maar zich richt op de langere termijn. Op dat gebied heeft de overheid volgens professor Haour een duidelijke taak: ,,Het is de goedkoopste investering die een land kan doen.''

Het is echter niet altijd even duidelijk hoe het vernieuwendste onderzoek moet worden bevorderd. In Hongarije is een publieke discussie losgebarsten over deze kwestie. In het imposante gebouw van de Academie der Wetenschappen in Boedapest betoogt secretaris-generaal Norbert Kroo dat ,,de werkelijk belangrijke successen komen altijd onverwacht''.

Maar Miklos Boda, een Hongaar van Zweedse afkomst, zet vraagtekens bij de traditionele Europese financiering van onderzoek. Boda werkte vroeger bij Ericsson en staat nu aan het hoofd van Hongarije's nieuwe Nationale Kantoor voor Onderzoek en Technologie. Daar is hij verantwoordelijk voor een innovatiefonds van de overheid, dat wordt gefinancierd door een heffing van 0,25 op de omzet van veel bedrijven en wordt aangevuld uit de openbare middelen. Boda wil de oprichting van kleinere bedrijven bevorderen: die bieden volgens hem de beste kansen op groei op de lange termijn, en prikkelen academici om hun ideeën commercieel te ontwikkelen. ,,In de VS is geen hoogleraar te vinden, die niet probeert een bedrijf op te richten'', zegt hij half schertsend.

Philips-topman Gerard Kleisterlee denkt er net zo over: ,,In wezen is er weinig mis met de kennisinfrastructuur in West-Europa. Onze onderwijsinstellingen en onze universiteiten behoren tot de beste ter wereld. We moeten er alleen effectiever van profiteren door een ondernemingsgezinde visie te introduceren.''

Vanuit de industrie is er brede steun voor de oprichting van centra die de kloof tussen de academische wereld en die van de privé-onderneming moeten overbruggen. Daniel Janssen, topman van het Belgische chemieconcern Solvay, zegt dat Europa niet alleen uitmuntende universiteiten heeft, maar ook een aantal opmerkelijke wetenschapsregio's, zoals Cambridge in Engeland, Beieren in Duitsland en de streek rond Helsinki in Finland. De Europese universiteiten daarentegen zijn ,,vrijwel allemaal heel provinciaals. Zij worden niet blootgesteld aan concurrentie en handelen vaak traag. De beste Amerikaanse universiteiten zijn wereldwijd concurrerend, zij huren uit alle werelddelen de beste doctoraalstudenten en de knapste koppen in.''

Een obstakel voor de EU is dat de kleinere lidstaten niet graag zien dat middelen buiten hun grenzen worden ingezet. Het is zelfs moeilijk om overeenstemming te bereiken over fundamentele kwesties als patenten. Als universiteiten patenten bezitten, kunnen ze ervoor zorgen dat de ideeën van wetenschappers commercieel worden vertaald door speciaal daartoe aangestelde managers. Maar de industrie wacht nog steeds op een zogenoemd `gemeenschapspatent', dat de kosten moet beperken van de bescherming van het intellectueel eigendom in heel Europa. De grote technologieconcerns van Europa liggen hierover nog overhoop met kleinere bedrijven en individuele softwaredesigners. Ericsson bijvoorbeeld zegt dat het zijn onderzoek en ontwikkeling net zo goed naar elders kan verplaatsen, als het de vruchten van zijn uitgaven op dat terrein niet kan beschermen.

Europa heeft een aantal excellente onderzoeksfaciliteiten, zegt Stefan Marcinowski van BASF, maar moet wel zijn risicomijdende gedrag veranderen om de beste talenten te kunnen behouden. ,,Het is van essentieel belang om minder over geld en meer over de (operationele) omgeving te praten, willen we Europa tot een aantrekkelijke plek maken om in onderzoek en ontwikkeling te investeren.''

Bij Diatron in Boedapest denken ze er net zo over. Arpad Gyetvai, managing director en collega van Tamas Ladomery, herinnert zich: ,,In het verleden, dat wil zeggen onder de communisten waren er altijd regels die je moest volgen. Vandaag begrijpt iedereen dat er geen wetenschap kan zijn zonder economische haalbaarheid.''

© Financial Times. Met medewerking van Christopher Condon, Peggy Hollinger en George Parker

Vertaling: Menno Grootveld