Dit stukje gaat niet over Berbers

Dit stukje gaat niet over Berbers. Laten we dat even voorop stellen. Het gaat ook niet over Arabieren. Of autochtone Nederlanders. Berbers hebben trouwens geen gevoel voor humor, dat is bekend. Arabieren ook niet. En nou we het er toch over hebben, autochtone Nederlanders ook niet.

Dit stukje gaat over humoristische kabouters.

Het probleem met mensen zonder gevoel voor humor is dat ze er zo onzeker van worden. Of misschien is het wel omgekeerd: ze hebben geen gevoel voor humor omdat ze onzeker zijn.

Je hebt ze in twee soorten. Type één: zij die zichzelf te serieus nemen (de `stalins'). Geen grap, geen spottende opmerking, geen ironische glimlach zal ongestraft passeren: ze kunnen het zich niet permitteren. Misschien worden ze wel uitgelachen! Elke grap kan een aanslag op de fragiele identiteit zijn, en moet worden verpletterd. Als de grap zelf niet kan worden verpletterd, dan toch op z'n minst de verteller. Bespuwen mag ook.

Nogmaals, dit stukje gaat niet over Berbers. Ook niet over Amazigh.

Type twee: hetzelfde als type één, maar dan omgekeerd: zij die zichzelf niet serieus genoeg nemen (de `jokers'). Zij lachen om alles, vinden alles leuk wat u leuk vindt, hebben zelfspot verheven tot kunst: ze durven niet anders. Zij gaan af op uw smaak, niet de hunne. Eigen meningen zijn riskant. Misschien missen ze wel de clou! Iedere dubbelzinnige toespeling kan de ontmaskering betekenen van hun gebrek aan identiteit, en moet met een knipoog beantwoord worden. Iedere zweem van ironie wordt met waardering bedeeld, iedere grap gevat, of er iets te vatten valt of niet.

Het is natuurlijk fascinerend dat beide typen in wezen dezelfde angst delen, de angst voor het oordeel van de buitenwereld, en dit gepaard aan een hang naar een collectivistische identiteit, waarover we nog lang zouden kunnen borrelpraten. Maar dat doen we niet; terug naar de kabouter, daar gaat het hier tenslotte over!

De donderdag na de onthulling sloop ik, even na vijven, de uitgestorven binnenplaats van het Boijmans op. Het hek stond nog op een kiertje; ik voelde me een inbreker. Daar was ie dan, de boosdoener. Van een afstandje zag hij er zacht en plastic uit. Ik liep er een rondje omheen, klopte eens – inderdaad, brons. Toen liep ik maar weer naar buiten, voordat ik ingesloten zou worden samen met Rotterdams nieuwste openbare kunstwerk.

Lezer, ik vond er geen buttfuck aan. Ik vond het, om eens grote woorden te gebruiken, slechte kunst. Ikea-kunst.

Santaclaus van Paul McCarthy is me te makkelijk. Het is jammer dat de hele discussie over de morele verwerpelijkheid van de `buttplug' is gegaan, en nauwelijks over het artistieke gehalte van het beeld zelf. De `betekenis' van Santaclaus is net zo afgezaagd als zijn vorm. McCarthy draait al jaren hetzelfde riedeltje af – kritiek op consumentisme, kapitalisme, Amerikaanse politiek, de Amerikaanse droom – dat hij vormgeeft in een combinatie van Amerikaanse iconen en bloed, mayonaise, ketchup, seks en geweld.

Schokkend? Oubollig, zó oubollig dat het me deed denken aan de jaren '80 kitsch van Jeff Koons. Zó oubollig, dat McCarthy, met zijn obligaat kritische, provocerende boodschap, in feite een voorspelbare keus was voor de beeldencommissie. Signaal: hé, wij zijn dan wel de overheid, maar dat betekent nog niet dat we sell-outs zijn! Santaclaus is bedoeld als `commentaar op het consumentisme', en overeenkomstig deze bedoeling had de beeldencommissie het beeld graag in een drukke winkelstraat geplaatst. Daar zit een eigenaardige, Hollands-puriteinse reflex in, een cultureel-correcte vorm van zelfkastijding: `Burgers van Rotterdam, wij willen graag dat jullie veel consumeren, want daar is onze economie nu eenmaal op gebaseerd, maar we keuren het moreel uiteraard wel af. En dat zouden jullie ook moeten doen.' Overvloed en onbehagen.

Moest kunst vroeger verheffen, nu is dat blijkbaar betuttelen geworden.

Overigens had een Rotterdamse winkelier het gouden idee om in de nabijheid van het beeld een souvenirwinkeltje te beginnen: ,,Leuk met buttplug-sleutelhangers, kaarsen, en andere spulletjes''. Mocht Santaclaus daadwerkelijk alsnog in een drukke winkelstraat terechtkomen, dan hoop ik dat deze middenstander voor zijn briljante, ironische subversie van het kunstwerk, anticonsumentisme verkoopt – in alle gelederen van de samenleving, een passend subsidiebedrag van de gemeente Rotterdam mag toucheren.

Natúúrlijk is Santaclaus banaal en lelijk: dat is precies waar het om gaat bij McCarthy, vertellen de kenners mij. Is een banale vorm de meest effectieve, interessante en esthetisch prikkelende manier om banaliteit aan de orde te stellen? Is het samenvallen van vorm en `boodschap' genoeg?

Sommige schrijvers proberen verveling vorm te geven door saai te schrijven. Dat is een vergissing. Om verveling geloofwaardig en literair interessant te verbeelden, moet je juist ongelooflijk goed en inventief kunnen schrijven.

Als banaliteit voldoende is, waarom kijken we dan niet eens naar het pas onthulde standbeeld van André Hazes. Door weduwe Rachel laten maken in China (,,We hebben eerst contact gehad met Nederlandse kunstenaars, maar daar zat niet veel tussen. Zag je een stuk verbogen staal en dat moest dan een naakte vrouw voorstellen.'') voor éénzevende van de kosten van Santaclaus, opgebracht uit ingezameld geld. Wij nemen nu dit beeld, inclusief bossen bloemen, fotograferende fans en marktgeluiden, als readymade, die we `The Physical Impossibility Of Art In The Mind Of Someone Shopping' noemen – want we zijn niet van de straat en dat willen we weten ook. We hebben nu een kunstwerk gecreëerd dat gelaagder, ironischer, ontroerender, hilarischer én kritischer is dan K. Buttplug.

Goedkoop, te makkelijk? Dat is inderdaad één van de belangrijkste thema's in dit werk.