CDA

De verschillen tussen de drie partijen die 25 jaar geleden samengingen in het CDA, zijn nog altijd zichtbaar. Zo vinden oude – protestantse – ARP'ers de partijcultuur te katholiek. `Je moet geen partij worden met trekjes van een elite die de macht niet wil opgeven.'

Vijfentwintig jaar lang had de Anti-Revolutionaire Partij (ARP) het niet nodig gevonden om reünies te organiseren. De andere twee partijen waarmee de ARP in 1980 fuseerde, de Katholieke Volkspartij (KVP) en de Christelijk-Historische Unie (CHU), deden dat wel. Maar de anti-revolutionairen vonden: we zijn nu CDA, en dan zíjn we ook CDA.

Vorige week zaterdag kwamen meer dan honderd vroegere fractiemedewerkers, leden van provinciale staten, wethouders, Kamerleden, staatssecretarissen en ministers van de ARP bij elkaar in een hotel in Lage Vuursche. Ze aten broodjes en krentenbollen, ze luisterden naar toespraken, ze discussieerden en daarna was er een diner. Twee leden van het oude ARP-partijbestuur hadden bedacht dat het toch wel gezellig zou zijn als ze elkaar weer eens zouden zien. Het vijfentwintigjarig jubileum van het CDA vonden ze een mooie aanleiding voor zo'n bijeenkomst.

,,Het moest toch een keer voordat we doodgaan'', zegt Kees Klop, bijzonder hoogleraar politieke ethiek en christelijke levensbeschouwing en tot begin dit jaar voorzitter van de NCRV. Willem Aantjes, oud-fractievoorzitter van de ARP en later van het CDA, zegt dat de reünie óók werd georganiseerd omdat er bij de oude ARP ,,een zekere ongerustheid'' is over het CDA onder leiding van Jan Peter Balkenende. ,,Er was behoefte om het daar eens met elkaar over te hebben.''

Op alle stoelen in de conferentiezaal van het hotel lagen exemplaren van Het Goede Leven, een weekeditie van het Friesch Dagblad, met op de cover een citaat van Aantjes over de partijcultuur van het CDA: ,,Kritiek op de inhoud wordt beantwoord met verwijten over gebrek aan loyaliteit, kwalificaties als `dinosaurussen' en `stuurlui aan de wal' en met het suggereren van frustraties.'' Aantjes schrijft in Het Goede Leven over oud-minister Bert de Vries die vindt dat het CDA een neoconservatieve partij is geworden en over burgemeester Gerd Leers van Maastricht die in een interview in de Volkskrant zei dat Balkenende ,,te technocratisch'' was. Aantjes vindt dat de top van de partij krampachtig reageerde op de kritiek van de twee CDA-prominenten. ,,Dat is een cultuur die meer herinnert aan die van de voormalige KVP dan aan die van de vroegere ARP en CHU.''

Het schild voor de zwakken

Politici, medewerkers en bestuurders die nog wel actief zijn in het CDA zeggen dat de drie `bloedgroepen' – zo noemden de ARP, de KVP en de CHU zichzelf na de fusie – nauwelijks nog te herkennen zijn in het CDA. De tijd is voorbij dat ze elkaar soms niet begrepen omdat de gereformeerden van de ARP en de hervormden van de CHU de bijbel beter kenden dan de KVP. Ze weten, zeggen ze, niet eens meer altijd van elkaar wie katholiek is en wie protestant.

Soms komen ze daarna wel zelf met een voorbeeld waaruit iets anders blijkt. ,,Wij staan in een traditie'', zegt Pé Miedema, voorzitter van het CDA in Friesland, aan het eind van een gesprek over de bezorgdheid van zijn afdeling. Die vindt dat het kabinet-Balkenende meer aandacht zou moeten hebben voor mensen met een laag inkomen. Met `de traditie' bedoelt Miedema de anti-revolutionaire traditie. De overheid, vindt hij, moet `het schild voor de zwakken' zijn.

Gerda Verburg, vice-voorzitter van de CDA-fractie in de Tweede Kamer, zegt dat ze het verschil tussen katholieke en protestantse Kamerleden alleen nog merkt aan het soort bijbel dat ze kiezen om de wekelijkse fractievergadering te openen. Protestanten lezen dan vaker uit de Groot Nieuwsbijbel of de nieuwe vertaling van de Protestantse Kerk Nederland.

En soms, zegt ze, ,,proeft'' ze welke achtergrond collega's hebben door de manier waarop ze uitleggen wat het CDA onder leiding van Jan Peter Balkenende wil. Protestanten denken dan meestal aan het oude ARP-idee van `soevereiniteit in eigen kring': gezinnen, scholen, vakbonden, omroepverenigingen en ook verpleeghuizen en ziekenhuizen hebben een eigen `levenssfeer' waar de overheid zich niet mee moet bemoeien. Voor de KVP gold het `subsidiariteitsbeginsel': de overheid doet alleen wat mensen niet zelf kunnen doen. ,,De uitkomst van die twee denkrichtingen is hetzelfde'', zegt Gerda Verburg.

Het morele gelijk

Het CDA van Jan Peter Balkenende vindt dat burgers zoveel mogelijk zelf moeten doen. Dat noemt de partij `gespreide verantwoordelijkheid': de overheid is niet alléén verantwoordelijk voor bijvoorbeeld het onderwijs, de zorg, de sociale zekerheid. Als de overheid minder regelt, denkt het CDA, worden burgers vanzelf creatief, inventief en ook zorgzaam en solidair. Mensen moeten ook vaker zelf kunnen kiezen, vindt het CDA. Want mensen voelen zich eerder verantwoordelijk voor hun eigen keuzes dan voor een regel of afspraak die ze door de overheid opgelegd krijgen.

De belangrijkste ideoloog van de partij is Ab Klink, directeur van het wetenschappelijk instituut van het CDA en lid van de Eerste Kamer. Hij is een vriend van Balkenende, ze zijn van dezelfde generatie – Klink is 46, Balkenende 49 – en ze werkten in de jaren tachtig en negentig samen bij het wetenschappelijk instituut.

De ouders van Ab Klink waren Nederlands hervormd, maar ze waren geen lid van een politieke partij. Hij kwam wel `via iemand van de CHU', een hervormde theoloog, bij het CDA. Hij zegt dat het `scherpe, omlijnde denken' van de ARP hem aansprak. Maar de katholieken in de partij vond hij minder drammerig dan de gereformeerden van de ARP. ,,Katholieken hebben minder de neiging om hun volledige morele gelijk te verknopen met details.''

De ARP onder leiding van Willem Aantjes vond dat de overheid de zwakken moest beschermen. Ab Klink was het daar natuurlijk mee eens, maar hij vond ook dat mensen te afhankelijk werden gemaakt van de overheid door de beschermende regels die werden bedacht en door de ambtelijke organisaties die de regels uitvoerden. Er ging veel ,,menselijke rijkdom'' verloren, vond Klink. Hij zegt: ,,Nu moeten we een slag terug maken. Er zit veel meer oplossingsvermogen bij mensen zelf dan bij ambtelijke organisaties.''

Klink en Balkenende dachten daar al sinds eind jaren tachtig over na. Klink promoveerde in 1991 op `Christen-Democratie en Overheid', Balkenende schreef een jaar later een proefschrift over regelgeving door de overheid en maatschappelijke organisaties. De meeste anderen in het CDA kwamen er pas midden jaren negentig aan toe om na te denken over de ideologie van de partij, na het verlies van twintig zetels bij de Tweede-Kamerverkiezingen van 1994. Ze noemden dat hun `herbronning'. De bronnen waren de soevereiniteit in eigen kring van de ARP en het beginsel van subsidiariteit van de katholieken.

,,Dertig jaar lang hebben we, met de handrem erop, meegedaan aan een beleid waarin de overheid voor elk probleem met een oplossing moest komen'', zegt Gerda Verburg. ,,Elk eigen initiatief van mensen loopt daardoor vast in bureaucratie.''

In de bar van het hotel in Lage Vuursche staan veel stoelen, maar de meeste ARP-reünisten staan in groepjes bij elkaar. Ze praten over elkaars grijze haren – ,,Jij hebt er minder dan ik'' –, over stukken uit de krant en over politiek. Een cameraploeg filmt Willem Aantjes en Hannie van Leeuwen, vice-fractievoorzitter van het CDA in de Eerste Kamer, die elkaar zoenen en langzaam naar de eetzaal lopen.

Het menselijk tekort

Klaas de Jong Ozn., oud-staatssecretaris van Onderwijs in het kabinet-Den Uyl en het eerste kabinet-Van Agt, zit bij de ingang van de zaal waar na de lunch gediscussieerd zal worden. Hij zegt uit zichzelf dat het CDA na de volgende verkiezingen met de PvdA zou moeten gaan regeren. Daar schreef hij een hoofdredactioneel commentaar over voor Het Goede Leven. De Jong Ozn. vindt ook dat het CDA en het kabinet-Balkenende niet te veel vertrouwen moeten hebben in de burgers. ,,De praktijk heeft geleerd dat dat niet goed is. Het kennisniveau van burgers is laag. Om zelf keuzes te maken moet je formulieren kunnen invullen en stukken kunnen lezen. Maar zestig procent van de bevolking heeft de troonrede niet eens begrepen.''

Volgens oud-minister van Cultuur, Recreatie en Maatschappelijk Werk Hans de Boer was er in de ARP jarenlang een strijd tussen het `evangelisch bevlogen' deel van de partij en het `rechtsstatelijke' deel, waar bijvoorbeeld minister van Justitie Piet Hein Donner bij hoorde. ,,Op dit moment regeert het rechtsstatelijke deel.''

De ideeën van de rechtsstatelijken, zegt De Boer ook, passen bij het oude anti-revolutionaire besef van het menselijk tekort en de overtuiging dat je ,,het geluk'' niet op deze aarde kunt ,,organiseren''. De Boer: ,,Maar zullen mensen uit zichzelf een goede milieupolitiek gaan voeren? Ik geloof dat niet.''

Frans Andriessen, oud-fractievoorzitter van de KVP en oud-minister van Financiën, zegt dat hij zelf nauwelijks geinteresseerd was in de `bloedgroependiscussie' in het CDA. ,,Dat hield de partijmensen bezig. De professionele politici ging het om de vraag: wat willen we bereiken en hoe kunnen we dat het beste doen.''

Andriessen vindt dat er geen verschil is tussen de anti-revolutionaire soevereiniteit in eigen kring en het katholieke idee van een overheid die alleen maar mensen helpt als dat nodig is. ,,Je zou kunnen zeggen dat we nu een ARP-premier hebben (de ouders van Balkenende waren lid van die partij, red.). Maar het gaat vandaag de dag wel heel erg om de zelfredzaamheid. Kijk naar het nieuwe zorgstelsel. Je legt de verantwoordelijkheid bij de burgers en daarna laat je negen miljoen mensen een formulier invullen om geld terug te krijgen. Wat ben je dan aan het doen?''

Ab Klink weet het. Het nieuwe zorgstelsel vindt hij een goed voorbeeld van wat het CDA wil. Hij zegt: ,,Je kunt in het nieuwe stelsel elk jaar wisselen van verzekeraar. Diabetespatiënten kunnen hun krachten bundelen als ze niet tevreden zijn en eisen stellen aan verzekeraars. Daar krijg je betere zorg van. Het nieuwe zorgstelsel is er nog niet eens en je ziet nu al dat mensen zich gaan organiseren.''

Ambtelijke organisaties, zegt Klink, zijn belangrijk omdat ze kunnen letten op doelmatigheid en rechtsgelijkheid. ,,Maar in een ziekenhuis of verpleeghuis gaat het om waarden als betrokkenheid en idealisme. Die vind je alleen bij de mensen die er werken, bij patiënten zelf en hun familie.'' Er was een vader die zelf een tehuis oprichtte voor zijn gehandicapte zoon Thomas, een `Thomashuis', omdat hij niet tevreden was over de instellingen die er waren. Nu zijn er zeventien Thomashuizen. Zo kan het dus ook, vindt het CDA.

Ab Klink zegt dat hij zich verwant voelt aan de `mensvisie' van de katholieken: ,,In het katholieke denken leg je verantwoordelijkheid bij mensen zelf, waardoor ze emotioneel en geestelijk geestelijk rijp worden. Als je die verantwoordelijkheid wegneemt vervalt ook die rijpheid.'' Het is niet de bedoeling, zegt hij ook, dat mensen verantwoordelijkheid krijgen die ze niet aankunnen. ,,Je moet er bovenop zitten om te zien waardoor mensen geblokkeerd raken en bijvoorbeeld niet kunnen solliciteren.''

Het licht

Die `ondersteunende functie' van de overheid is een katholiek idee. Klink: ,,Ik vind het katholieke mensbeeld rijker dan het protestantse. Bij protestanten is de mens zondaar, de genade komt van buiten en that's it. De katholieke notie van biecht en vergeving betekent dat mensen in staat zijn om zich te verbeteren en niet hoeven blijven hangen in tobberig nadenken over wat er verkeerd is gegaan.''

De `katholieke cultuur' die volgens Willem Aantjes heerst in het CDA gaat niet over biecht, vergeving en de verbetering van mensen. Volgens Aantjes gaat het om macht. ,,Bij de KVP overheerste het idee: we hebben een leider en voor ons is hij de paus. Je moet niet kritisch over hem zijn, want dan komen we verdeeld naar buiten en raken we onze macht kwijt.''

Balkenende, zegt Aantjes, was een van de beste medewerkers van het wetenschappelijk instituut van het CDA. Hij was ideologisch ,,heel goed''. Maar nu gaat het hem om de macht, denkt Aantjes. Hij vertelt het bijbelverhaal van Saul en Samuël, uit 1 Samuël 15: ,,Saul is in opdracht van Samuël tot koning gezalfd, en Samuël dweept met Saul. Dan zegt God tegen Samuël: `Het gaat niet goed met Saul.' `Nee?' Vraagt Saul. God zegt: `Hij heeft een teken voor zichzelf opgericht.' Eerder is het nooit in me opgekomen, maar toen ik het verhaal pas weer hoorde, dacht ik: het is alsof het over Balkenende gaat.''

Aantjes zegt dat er bij de ARP ,,op het scherp van de snede'' werd gediscussieerd. Mensen waren hard in hun kritiek op elkaar en daarna dronken ze een borrel. Maar er waren ook mensen die zich ergerden aan de ARP. ,,Het licht kwam pas op als wíj het licht zagen. Dat was voor anderen vervelend.''

Volgens Frans Andriessen was de KVP de partij van de ,,roomse blijheid''. De KVP was minder goed georganiseerd dan de ARP, zegt hij, maar het was er wel leuker. KVP'ers gingen vriendelijk met elkaar om. Net als bij de CHU. ,,De CHU was in het CDA onzichtbaarder. Ze waren niet zo daraufgehend. Qua mentaliteit stonden ze dichter bij ons dan bij de ARP. Alleen qua grondslag hadden ze met ons nog een probleem.''

Op een CDA-bijeenkomst in het Twentse dorp Albergen, vorige week woensdag, vroeg een man in de zaal aan Balkenende of hij vóór de bijeenkomst nog langs was gegaan bij het standbeeld van de priester Herman Schaepman. Schaepman, geboren in Twente, was de oprichter van de Rooms Katholieke Staatspartij, de latere KVP. Nee, zei Balkenende. Hij had daar geen tijd voor gehad. Maar hij was het er meteen mee eens dat Schaepman een belangrijk politicus was geweest. Schaepman, zei hij, had een keer gezegd: ,,Een oplossing van staatswege is altijd een oplossing op krukken.'' En Schaepman had gewaarschuwd: ,,Wij wensen niet dat onze hondenkarren staatskarren zullen worden.''

De CDA-leden lachten. Balkenende wachtte even en daarna zei hij: ,,Abraham Kuyper (de oprichter van de ARP, red.) schreef een keer een brief aan Schaepman. Kuyper vroeg zich af of hij een katholiek dienstmeisje zou aannemen en hij wilde weten waar hij op zou moeten letten. Hoe zat het met vis op vrijdag en zo? Schaepman schreef een brief terug: `Wetend hoe u bent, zou ik zeggen: begin er maar niet aan.''' De CDA-leden in de zaal – veel ouderen die vroeger bij de ARP of de CHU hoorden – lachten er nog harder om dan om de staatskarren.

De belofte

Hans van Spanning, fractiemedewerker van de CHU en later van het CDA, schreef een proefschrift over de geschiedenis van de CHU. De CHU, zegt hij, wilde geen partij zijn maar een beweging. ,,Een partij betekende dwang en de CHU hechtte zeer aan individuele vrijheid.'' Er was nauwelijks discipline in de Tweede-Kamerfractie, de CHU vond dat elk Kamerlid het recht had om te stemmen zoals hij wilde. Ook de leden zelf voelden zich niet verplicht om hun kinderen naar een christelijke school te laten gaan of om lid te worden van de NCRV. CHU-leden waren soms ook lid van de AVRO of de VPRO.

De CHU, zegt Van Spanning, hield ook niet van de strijd om de macht. ,,Ik denk dat onze inbreng in het CDA apaiserend was. We zijn traditioneel geneigd tot overleg en verdraagzaamheid.'' Is die CHU-inbreng er nu nog? Van Spanning zegt niet: nee. Hij zegt: ,,Ik hoor soms: maak het Balkenende niet te lastig, hij hééft het al zo moeilijk. Ik zie dat Bert de Vries een kat krijgt omdat hij kritiek heeft en dan denk ik: pas toch op. Je moet geen partij worden met trekjes van een elite die de macht niet wil opgeven en daardoor niet meer doorheeft wat er leeft.''

Wim Deetman, minister van Onderwijs in het eerste en tweede kabinet-Lubbers en nu burgemeester van Den Haag, werd in 1963 lid van de CHU. De CHU, zegt hij, vond niet alleen dat Kamerleden zelf moesten weten hoe ze stemden. De CHU vond ook dat Kamerleden en ministers zich niet te veel met elkaar moesten bemoeien. Het Torentjesoverleg tussen fractievoorzitters en de minister-president, in de tijd van Lubbers en Kok, zou de CHU ,,een gruwel'' zijn geweest. ,,Ik kom uit dat nest. In de tijd dat ik minister was kreeg ik wel eens verwijten van geestverwanten omdat ik te weinig overleg had met de fractie. Maar ik zei: dit zijn de voorstellen. Ieder heeft zijn eigen verantwoordelijkheid.''

Deetman zegt dat hij het niet moeilijk vond om te wennen aan het CDA. ,,Die eerste jaren was er in de partij genoeg breedte en discussie.'' Maar de laatste tien jaar is er volgens hem ,,koudwatervrees'' ontstaan in het CDA. ,,In de jaren tachtig waren er heftige discussies en ik heb niet het idee dat de partij daar slechter van is geworden. Er zijn dingen die ingewikkeld liggen en volgens mij duidt het op overtuigingskracht als je dat laat zien.'' Nu is het CDA bang geworden voor meningsverschillen in de partij, zegt Deetman. ,,Men denkt dat die worden uitgelegd als teken van zwakte.''

Volgens Deetman wordt het CDA ,,gedreven'' door de bijbel en door de belofte van een nieuwe hemel en een nieuwe aarde. ,,Als je zo'n doel voor ogen hebt, moet je elkaar scherp houden. Juist als het gaat om principiële punten, om waarden en normen. Niemand heeft de wijsheid in pacht. Anderen moeten kunnen meedenken. Dan weet je pas of het menens is of een doekje voor het bloeden.''

Job op de mesthoop

Balkenende en Agnes van Ardenne, minister voor Ontwikkelingssamenwerking, waren afgelopen week in Nigeria en Mali. Ze praatten met de presidenten van die twee landen, met ministers, hoge ambtenaren en met vertegenwoordigers van bedrijven en maatschappelijke organisaties. Ze waren in een school, een gezondheidscentrum en een trainingscentrum voor lepra- en tbc-patiënten. Van de Afrikaanse organisaties wilde Balkenende horen of ze werden tegengewerkt door de overheid en hij vroeg hoe ze aan geld kwamen. Hij zei: ,,Maak jezelf niet te afhankelijk van de overheid.'' Tijdens de toespraak die hij hield in een school in Mali zei hij opeens: ,,Ik zie hier ook een vertegenwoordiger van de leerlingenraad. Het is erg goed dat leerlingen betrokken zijn bij het onderwijs.''

Op de terugweg, in het vliegtuig, zegt Agnes van Ardenne – katholiek opgevoed – dat ze ,,als CDA-minister'' het meest geraakt was door wat ze had gezien in het lepracentrum in Nigeria. Dat was opgericht door particulieren, een Nederlands echtpaar. De Nigeriaanse overheid had er eerst niets mee te maken willen hebben. Het was natuurlijk goed geweest, zegt Van Ardenne, als de overheid wél op het idee was gekomen om iets te doen voor leprapatiënten, maar ze vond het mooi dat mensen uit zichzelf voor de zieken waren gaan zorgen.

Ze vertelt over een patiënt in het centrum, een oude man. Door de lepra had hij geen gevoel meer in zijn voeten en benen. Hij had tegen Van Ardenne en Balkenende gezegd: ,,Ik zal bidden voor een veilige terugreis van jullie naar Nederland.'' Van Ardenne zegt: ,,Als er nou iemand was die aan ons had kunnen vragen: `Willen jullie voor mij bidden?', was hij het wel. Maar dat vroeg hij niet. Dat is, zegt ze, wat Nederland van arme landen zou kunnen leren: ,,Dat mensen in armoedige omstandigheden ten principale betrokken zijn op elkaar.'' Bedoelt ze dat je van armoede een beter mens wordt? Van Ardenne: ,,Je zou het bijna denken. Zeker als je kijkt naar de afschuwelijke dingen die gebeuren in rijkere landen in Afrika, in Congo bijvoorbeeld.'' Maar ze weigert zich erbij neer te leggen, zegt ze, dat alleen extreme armoede mensen bij elkaar brengt. ,,Omdat ik hoop dat ook in een welvarende samenleving mensen bij elkaar komen. Maar dan is er spiritualiteit nodig of religie, en tijd voor reflectie. Er is een groeiende groep in Nederland die daar behoefte aan heeft.''

Van Ardenne kent niet het verhaal over een dorp in Malawi dat vorige maand verscheen in de bijlage M van deze krant. Er kwam een man in voor die de rijkste inwoner van het dorp was geweest. Hij hielp de mensen in het dorp als ze honger hadden. Maar hij had lepra gekregen en hij was de armste man van het dorp geworden. Niemand hielp hem, niemand kwam bij hem langs. Zijn arme mensen vanzelf ook goede mensen? Van Ardenne zegt: ,,Dat is Job op de mesthoop. Dat soort verhalen ken ik heel goed. Job vroeg: `Waarom overkomt mij dit?' Maar ook het dorp van die man zal een keer tot inzicht komen.''

Vijfentwintig jaar geleden was de laatste vergadering van het ARP-partijbestuur op een zaterdagavond, in het Muiderslot. Die bijeenkomst moest vóór twaalf uur 's nachts afgelopen zijn. De ARP reisde niet op zondag. De reünie van vorige week zaterdag was om negen uur 's avonds afgelopen – al reist de oude ARP nu wél op zondag. Willem Aantjes had het erg gezellig gevonden. ,,Maar van mij hoeft het niet volgend jaar nog een keer. Ik heb gezegd: `Als het over vijfentwintig jaar wéér is, ben ik erbij. Hoop ik.'''