Buitenpromovendi 2

In de bijlage W&O van 17 september schreef Marita Mathijsen in haar column over het verschijnsel van buitenpromovendi. Ze schetst hoe een groep van tien mensen, komende vanuit het hele land, de meesten van boven de vijftig, regelmatig bij haar thuis rondom de grote tafel geschaard zijn om over hun obsessie te praten: `Allemaal hebben ze in hun kop zitten dat ze een dissertatie willen schrijven'. Wat bezielt deze mensen, vraagt Mathijsen zich af, deze mensen die ooit in een ver verleden zijn afgestudeerd, om naar iets te streven dat geen enkel ander voordeel oplevert dan een tikkeltje meer prestige? Voor zichzelf en haar eigen promotie kan ze nog wel enige argumenten aandragen. De titel, jazeker, eens een doctor, voortaan altijd een doctor, dat zou niemand haar meer kunnen afnemen. En bovenal het boek natuurlijk. Voor haar tien buitenpromovendi ziet ze dat echter anders. Waar maken zij zich druk om? Waarom al die inzet en betrokkenheid? Mathijsen kent de drijfveren van haar pappenheimers: zij zijn bezig met het verwezenlijken van hun Droom, de droom die zij ooit als jongen of meisje van twintig koesterden. Voordat het te laat is, willen ze alsnog deze droom realiseren, als hommage aan de idealist die zij ooit waren.

Wat Matthijsen heeft gedaan is mensen licht bespottelijk maken vanuit een gerespecteerde en veilige positie. Waar zij op heeft ingezoomd, is op de uiterlijke facetten van het werk, op de status. Waar zij niet over lijkt te hebben nagedacht, is over het fenomeen van de verwondering. Over het willen weten, het zich afvragen waarom een zaak zo en zo in elkaar steekt en niet anders. Over het verkennen van onbekende terreinen, het scheppen van iets nieuws.

Ik heb de columns van Mathijsen altijd met interesse gelezen omdat zij voor mij iets uitstraalde van de bevlogen wetenschapper, met passie voor haar vak. Het zou jammer zijn als ook zij geïnfecteerd zou zijn door het giftige virus dat maar al te vaak ronddwaalt in de universiteit: het virus van afgunst, jaloezie en cynisme.