Brieven van een landverhuizer: Tjechische kachel

Gisterochtend, tussen de bossen en velden rijdend over de Nagykovácsi út naar school, zei Zeeger mijn oudste zoon: ,,Als de uitvinder van de telefoon de telefoon niet had uitgevonden, dan was deze weg er misschien wel niet geweest, dan was onze school er niet geweest, dan was alles anders geweest.'' Hij keerde zich tot mij en zei: ,,Als jij niet geboren was, was de school hier misschien niet gebouwd. Als jij een steen in het water gooit, kan dat aan de andere kant van de wereld de loop van de geschiedenis veranderen.''

Mijn kinderen gaan naar de Amerikaans-Internationale school in Boedapest. Het ongebreidelde, tot daden aanzettende, Amerikaanse optimisme wordt hen jong bijgebracht en ik vind dat goed. Het wervende `You can make a difference' is een stimulerend uitgangspunt voor het leven. Met de klas schrijven zij bezorgde brieven naar presidenten en regeringsleiders en krijgen vriendelijk antwoord. Op bescheiden wijze deel ik de overtuiging van mijn kinderen: je handelingen en soms je woorden kunnen anderen inspireren.

Toen we enkele jaren geleden begonnen met het opknappen van de in 1914 gebouwde herenboerderij in Somogy, wilde ik – ingegeven door een mengeling van idealisme en achterdocht – dat we het grote gebouw zonder gebruik van fossiele brandstof warm konden houden. We bekeken de mogelijkheid het 60 graden warme water op 300 meter diepte aan te boren, de warmte van de aarde te gebruiken of zonnecollectoren op het dak te plaatsen. Op de wekelijkse bouwvergadering werd me het ene Hongaarse patent na het ander gepresenteerd. Uiteindelijk kozen we voor de simpelste oplossing: een houtkachel.

Ik hak veel hout nu. Iets dat ik niet kan zonder aan opa Stork te denken. In de kelder van de boerderij loeit de Tsjechische kachel. Het is een groot ding. Hij verwarmt twee ketels met in totaal 2.000 liter water die de gietijzeren radiatoren (van fraai Hongaars fabrikaat) en vloerverwarmingen van warm water voorzien. Het hout ligt te gloeien in de buik van de kachel. Zodra de temperatuur van het water in de ketels onder de 55 graden celsius daalt, slaat een ventilator aan en gaat het smeulende hout branden. De aanblik van de robuuste kachel, het zuigende geluid van de vlammen, de geur van het houtvuur, die hele scheepsmachinekamer in de kelder, vervult mij met een intense tevredenheid.

Een logé die mij stralend naar mijn houtkachel zag kijken, leerde mij in dit verband het Duitse woord `Wonne' (er bestaat geen Nederlands equivalent voor, het betekent iets van de gelukzaligheid van de oogst) en zei: ,,Die liefde voor techniek moet van je moeders kant komen.'' Mijn moeders vader was de laatste directeur van de machinefabriek die uit de familie kwam. Toen ik een klein jongetje was nam hij mij één keer mee naar die enorme fabriekshallen. Hij was een lieve, zachtaardige man. Ik was de laatste die hem zag.

Dit jaar is er over deze opa door een van zijn zonen, Gijs Stork, ter ere van zijn honderdste verjaardag een boek gemaakt. Gedreven door de behoefte zijn vader te reconstrueren heeft hij uit honderden brieven, krantenartikelen en bedrijfsberichten een selectie gemaakt. Uit de ordening rijst een beeld van F.G. Stork op – in de fabriek werd hij `meneer Frans' genoemd en was hij vanwege zijn grote sociale betrokkenheid zeer geliefd.

In de boerderij op het Hongaarse platteland lees ik (daar in de Centraal-Europese afgelegenheid wil ik ineens alles weten over mijn Twentse voorvaderen) voor het eerst in detail over opa's arrestatie in 1943. De oorlogsjaren in de fabriek werden gekenmerkt door stille sabotage. De doelstelling was tegenovergesteld aan het normale streven: met zoveel mogelijk werknemers zo min mogelijk en zo slecht mogelijke producten afleveren. Directie en personeel stonden bekend om hun anti-Duitse houding. Op donderdag 29 april 1943 begonnen de April-Mei-stakingen bij de Stork machinefabriek in Hengelo. De 3.000 werknemers legden hun werk neer en gingen de straat op. De Duitsers beschouwden de machinefabriek als het broeinest van de stakingen.

De Duitsers pakten een aantal mensen op, onder wie opa Stork en ingenieur Loep, chef van de mechanische werkplaats. Oma ging naar het politiebureau waar opa vastzat en wist hem los te krijgen. De chef van de mechanische werkplaats werd niet vrijgelaten en op 4 mei 1943 als vergelding voor de stakingen gefusilleerd. De algemene verklaring voor de vrijlating van mijn opa is dat de Duitsers bang waren dat een Stork executeren olie op het vuur zou zijn. Ze wilden de fabriek weer zo snel mogelijk laten draaien.

Seyss-Inquart kwam twee weken later met een grote schare geestverwanten naar Hengelo om in de fabriekshal een rede over de grootmoedigheid van de Führer te houden. In juli kreeg de Storkdirectie een `Verwalter' boven zich geplaatst en in september dook mijn opa onder op de Paaschberg.

Jaren geleden vroeg ik oma wat ze in het politiebureau gezegd had: ,,Oh, niks bijzonders, gewoon grote mond opgezet en verteld dat ze hem onmiddellijk vrij moesten laten.'' Mijn oma was uiteraard de koningin van Hengelo, tenminste haar handelen en woorden leken door die overtuiging bezield, en wat misschien hielp: van geboorte was ze Amsterdamse.

Toen ik dertien was, een jaar ouder dan mijn zoon Zeeger nu is, werd ik op een middag naar het huis van opa en oma gestuurd om hout te hakken. Het was de eerste keer dat ik die opdracht kreeg. Het was in de middag, 3 februari 1977. Wij woonden niet ver van hen in Hengelo. Het was een spuuglelijk nieuwbouwhuis dat ze hadden gekocht toen zij te oud werden voor het grote huis op de Lutte. Naast de voordeur was een overkapping met plaats voor twee auto's. Daar lag een enorme partij hout.

Ik was een tenger ventje en had nog niet veel hout gehakt in mijn leven. De grote bijl bleef in de meeste blokken halverwege hangen. Als een bezetene hief ik bijl met het blok eraan op en ramde het neer op het hakblok. Op een goed moment kwam mijn opa naar buiten. Hij was op weg naar zijn auto en zag mij klungelen. Hij nam de bijl over, zette een blok op het hakblok, hief de bijl boven zijn hoofd en zei: ,,De bijl moet het werk doen.'' Hij liet de bijl in het blok hout vallen. Het spleet alsof het doormidden werd geblazen. Hij zei: ,,Zo doe je dat.'' Daarna stapte hij in z'n Renault en reed de oprit af. Hij ging ergens duiven halen.

Bij Delden knalde een inhalende auto frontaal op hem. Hij was op slag dood.