Anders maakt eender

Mannen- en vrouwenhersenen vertonen duidelijke verschillen. Wat de invloed daarvan is op vaardigheden en gedrag is minder duidelijk. Anatomische sekseverschillen in het brein kunnen dienen om gedragsverschillen te verkleinen.

MANNEN KUNNEN BETER kaartlezen en problemen analyseren. Vrouwen kunnen beter praten, luisteren en zich inleven. Als we de metershoge stapel populaire boeken over dit onderwerp moeten geloven, komen mannen en vrouwen van twee verschillende planeten. ``Belachelijk'', vindt de Amerikaanse psychologe Janet Hyde. ``Dergelijke boeken overdrijven de verschillen in gedrag en vaardigheden tussen mannen en vrouwen enorm.'' In haar publicatie in American Psychologist van september schrijft zij dat mannen en vrouwen op de meeste psychologische gebieden vrijwel hetzelfde zijn. Ze spitte 46 meta-analyses van de afgelopen twintig jaar door, die elk de resultaten van meerdere onderzoeken naar sekseverschillen in vaardigheden en gedrag samenvatten.

Hyde ontdekte dat op ruim driekwart van de onderzochte gebieden mannen en vrouwen niet, of maar heel weinig, verschillen. Zij vond bijvoorbeeld minimale sekseverschillen in communicatieve vaardigheden, leidinggevende capaciteiten en wiskundig inzicht. De grootste verschillen die zij aantrof waren verschillen in motoriek (mannen kunnen objecten harder en verder weg gooien) en verschillen op seksueel gebied (mannen masturberen vaker en denken makkelijker over vrijblijvende seks). Mannen scoorden ook hoger op het denkbeeldig roteren van objecten en op lichamelijke agressie.

Maar waarom vinden boeken over psychologische verschillen tussen man en vrouw dan zo gretig aftrek? ``Mensen delen de wereld graag in stereotypen in'', vertelt Hyde aan de telefoon. ``En wanneer ze een stereotype in hun hoofd hebben, zien ze alleen de voorbeelden die dat bevestigen. De voorbeelden die het ontkrachten, ontgaan hen dan. Ik durf te beweren dat mannen en vrouwen in 99 procent van de tijd heel goed met elkaar communiceren, en elkaar prima begrijpen. Maar alleen die ene keer op de honderd dat de communicatie niet goed loopt, valt hen op. Daar zien ze dan gelijk een sekseverschil in.''

Opleving

Over de aanwezigheid van seksegerelateerde verschillen in vaardigheden en gedrag woedt al decennialang een bij vlagen hevige strijd. Begin dit jaar kreeg die discussie weer een opleving toen Lawrence Summers, bestuursvoorzitter van de Amerikaanse Harvard University, suggereerde dat biologische verschillen er mede de oorzaak van zouden kunnen zijn dat er weinig vrouwen op hoge posities in de exacte wetenschappen te vinden zijn. Daarmee streek hij onderzoekers als Hyde tegen de haren in. Feit is dat er tot nu toe geen onderscheid gevonden is tussen mannen en vrouwen in intellectuele vermogens. De verschillen die bij algemene intelligentietests tussen mannen en vrouwen worden gemeten, zijn in de meeste gevallen een stuk kleiner dan de verschillen tussen mannen onderling, of tussen vrouwen onderling.

Toch zijn er in het brein, het regelcentrum van al onze gedragingen en vaardigheden, aanzienlijke verschillen aangetoond tussen mannen en vrouwen. Sommige hersendelen zijn bij vrouwen groter of celrijker, andere zijn dat bij mannen (zie kader). En voor sommige functies gebruiken vrouwen andere hersengebieden dan mannen.

``Veel van de seksegerelateerde verschillen in het brein ontstaan al ver voor de geboorte'', vertelt Geert de Vries. Hij is hersenonderzoeker aan de University of Massachusetts in de Verenigde Staten en bestudeert al twintig jaar de sekseverschillen in het brein. ``Ze worden veroorzaakt door het verschil in het paar geslachtschromosomen dat in iedere cel van een embryo zit. Meisjes hebben twee X-chromosomen, jongens hebben een X en een Y. Al rond de zesde week na de conceptie is, exclusief in de primitieve geslachtsorganen van het mannelijke embryo, en maar voor enkele uren, een gen actief dat op het Y-chromosoom ligt. Dat is het sex-determining region Y gen, of SRY-gen. Door de activiteit van dit gen ontwikkelen de geslachtorganen van het embryo niet tot eierstokken, maar tot zaadballen. Die maken geslachtshormonen, waaronder testosteron. Het brein van de foetus ontwikkelt zich dankzij testosteron tot een mannelijke versie. De hoeveelheid testosteron in de hersenen tijdens kritieke perioden in de ontwikkeling van de foetus is bepalend voor de grootte van sommige hersendelen.''

Type E-brein

Juist dit gegeven steunt psychologen uit het kamp waartegen Hyde ten strijde trekt, zoals de Britse psycholoog Simon Baron-Cohen. Zijn theorie is dat de gedragsverschillen tussen mannen en vrouwen even fundamenteel zijn als de verschillen in hun hersenen. In zijn boek, in 2003 in Nederlandse vertaling verschenen onder de titel M/V Het verschil, stelt Baron-Cohen dat mannen gemiddeld genomen toegerust zijn met een type-S brein, dat gericht is op het denken in systemen. Vrouwen bezitten over het algemeen een type E-brein, geschikt voor empatisch denken. Baron-Cohen vermoedt dat dit verschil tussen mannen en vrouwen al in de baarmoeder ontstaat, als gevolg van de variatie in de testosteronspiegel.

Baron-Cohen's bevindingen passen bij de resultaten van een onderzoek bij jonge meerkatten dat Gerianne Alexander en Melissa Hines publiceerden in 2002. Daarin kozen jongensaapjes vaker voor auto's om mee te spelen, en meisjesaapjes vaker voor poppen. Kon de aangetoonde voorkeur van mensenjongetjes voor ruw spel nog uitgelegd worden als een effect van de opvoeding, het apenonderzoek suggereerde dat deze verschillen in de psychologie van jongens en meisjes al bij de geboorte vastliggen.

De Vries beaamt dat er duidelijke verschillen tussen mannen en vrouwen zijn in hun cognitief functioneren. ``Die moeten we niet uitvlakken. Maar relatief kleine verschillen worden vaak breed uitgemeten in de media. En of die verschillen veroorzaakt worden door de anatomische verschillen in het brein is ook nog niet aangetoond. Van de meeste geslachtsverschillen in de hersenen hebben we nog niet kunnen oplossen wat ze doen'', aldus de Vries.

In het algemeen geldt in de biologie: hoe meer cellen er in een weefsel zijn, hoe belangrijker de functie is die die cellen uitvoeren. Mannetjeskanaries bijvoorbeeld kunnen prachtig zingen, en vrouwtjes niet of nauwelijks. De mannetjes zijn dan ook toegerust zijn met een uitgebreider hersengebied voor zingen dan de vrouwtjes. Echter, bij de Afrikaanse Leikleurige fiskaal (Laniarius funebris) is het anders. Van die vogelsoort zingen beide geslachten even mooi, maar toch is het hersengebied voor zingen bij de mannetjes groter dan bij vrouwtjes. Een groter hersengebied is dus niet automatisch beter.

Lichaamsfuncties

Waarom zijn er dan zoveel anatomische sekseverschillen in het brein? De Vries denkt dat die er in veel gevallen juist zijn om de verschillen in gedrag tussen man en vrouw te verkleinen. ``Naar mijn idee kijken onderzoekers er veel te star naar'', zegt hij. ``We zien een verschil in de hersenen en denken dat dit direct een verschil in gedrag of lichaamsfunctie veroorzaakt. Maar precies dezelfde hersengebieden die te maken hebben met seksespecifieke zaken, zoals voortplantingsgedrag en het aansturen van de geslachtshormonen, gebruikt een mens ook voor taken die voor beide geslachten hetzelfde zijn, zoals het reguleren van eten, drinken, en het dag-nachtritme. Mijn idee is dat er hersenverschillen ten grondslag liggen aan verschillen in lichaamsfuncties en gedrag, maar dat er daardoor tegelijkertijd ook ongewenste geslachtsverschillen ontstaan die weer gecompenseerd moeten worden. En die compensatie levert dus weer àndere hersenverschillen op.''

Ongewenst zou het bijvoorbeeld zijn wanneer mannelijke prairiewoelmuizen steeds al hun kinderen zouden doodbijten bij gebrek aan vaderlijke gevoelens. Maagdelijke vrouwtjes zijn vaak agressief tegen jonge prairiewoelmuisjes. Bij hen zorgen hormonale veranderingen tijdens de zwangerschap ervoor dat zij moederlijk gedrag gaan vertonen. De mannetjes dragen en baren de pups niet, maar zijn desondanks toch even zorgzaam als de vrouwtjes voor hun kinderen. Dat komt door een belangrijk sekseverschil in hun brein: hun limbische systeem is uitgerust met grote aantallen zenuwcellen die het hormoon vasopressine maken. Dankzij dit verschil tussen mannetjes en vrouwtjes vertonen beide geslachten toch hetzelfde gedrag.

Tegelijkertijd maakt vasopressine de mannetjes ook agressiever dan de vrouwtjes. Op dat gebied zorgt het sekseverschil in het brein juist wel voor een verschil in gedrag. De effecten van een hersenverschil tussen mannen en vrouwen kunnen dus tweeledig zijn. ``Ik zie geen enkele reden waarom dit mechanisme zich zou beperken tot vasopressine, of tot woelmuisjes. Het is waarschijnlijk veel algemener het geval,'' aldus de Vries.

Denkbeeldig roteren

Recente beeldvormende studies suggereren dat ook mensenmannen en -vrouwen hun hersenen op een andere manier gebruiken voor dezelfde functies. De groep van de Zwitserse neuropsycholoog Lutz Jäncke stelde dit vast voor `denkbeeldig roteren', een van de weinige cognitieve vaardigheden waarin mannen gemiddeld duidelijk beter zijn dan vrouwen (Neuropsychologia, december 2002). Hij liet mensen in gedachten een object draaien, terwijl hij hun hersenactiviteit in beeld bracht met een MRI-scanner. Voor zijn onderzoek selecteerde hij 24 mannen en vrouwen die de taak even goed konden uitvoeren. Hij ontdekte dat bij vrouwen tijdens het uitvoeren van deze taak meer hersengebieden actief zijn dan bij mannen. Naast de hersengebieden die bij beide seksen aangesproken werden bij het draaien van een object, was bij vrouwen ook een gebied actief dat gebruikt wordt om objecten een betekenis te geven. Andere studies laten zien dat vrouwen andere gebieden van de hersenschors gebruiken dan mannen voor dezelfde taken, zoals taal verwerken, lezen, grammatica en pijnverwerking. Ook het gebruik van grijze stof (die bestaat uit zenuwcellen) en witte stof (die de zenuwuitlopers bevat) is anders bij vrouwen dan bij mannen. De hersenen van vrouwen lijken via een andere weg tot dezelfde vaardigheden en gedragingen te komen als die van mannen.

Hoe flexibel hersenen in de loop van de evolutie zijn geweest bij het vinden van een oplossing voor ongewenste verschillen, laat recent onderzoek van de Amerikaan Eileen Luders zien (Nature Neuroscience online, 4 juli 2004). Met behulp van een nieuwe analysetechniek van MRI-scans werd zichtbaar gemaakt dat delen van de frontale en pariëtale hersenschors van vrouwen meer geplooid zijn dan die van mannen. Hierdoor heeft het relatief kleinere vrouwenbrein waarschijnlijk toch een ongeveer even groot schorsoppervlakte. Maar ook een individueel levend brein is in staat zich aan te passen aan veranderde omstandigheden of nieuwe eisen, binnen de grenzen die de anatomie, de fysiologie en de genetische achtergrond dicteren. Hersengebieden kunnen, als dat nodig is, elkaars functie overnemen, of hun eigen capaciteit uitbreiden. Een deel van de hersenen dat ziende mensen gebruiken voor visuele waarneming, is bijvoorbeeld bij blinden actief bij het lezen van braille met de vingertoppen. Bij mensen die leren jongleren nemen de hersengebieden die een rol spelen bij het waarnemen van complexe bewegingen in volume toe. En geroutineerde Londense taxichauffeurs, die de hele plattegrond van Londen uit hun hoofd kennen, hebben een aanzienlijk grotere hippocampus dan mannen die zich moeten beroepen op een papieren plattegrond. De hippocampus is een hersenstructuur die belangrijk is voor ons geheugen en voor het in kaart brengen van de ruimte om ons heen.

Zo bezien zou de sekse die een bepaalde vaardigheid mist, die vaardigheid gewoon veel moeten oefenen. Zijn of haar hersenen zullen dan de anatomische weg zoeken waarlangs de gewenste functie zo goed mogelijk ten uitvoer kan komen. En zo zijn de meeste verschillen in gedrag en vaardigheden tussen mannen en vrouwen niet groter dan we ze zelf maken, ondanks, of juist dankzij, alle anatomische hersenverschillen.