Alsjeblieft geen leraar Natuurkunde

Dat leerlingen nog altijd geen bètastudie kiezen ligt ook aan de leerkrachten. Tweede deel in een serie over knelpunten in het onderwijs.

Het is een mooie zonnige dag en de driehonderd leraren wiskunde, scheikunde, natuurkunde en biologie komen uit alle hoeken en gaten van het land. Opvallend veel vrouwen en jonge leerkrachten onder hen en ze zijn stuk voor stuk enthousiast. De dag is georganiseerd door Jet-Net, het netwerk van twintig research georiënteerde bedrijven als bijvoorbeeld Shell of Akzo die een samenwerking aangaan met scholen voor voortgezet onderwijs. In anderhalf jaar tijd zijn dat 120 scholen geworden. En de scholen staan in de rij. Het Hoogeveens Roelof van Echten College is net vol enthousiasme een samenwerking aangegaan met de NAM in Assen. Bijna het hele korps van bèta leerkrachten van de school is aanwezig op de middag van Jet-Net. De achterliggende reden is dat ook op hun school het aantal leerlingen dat een bètastudie kiest terugloopt. ``Een heleboel leerlingen hebben wel de potentie, maar niet goed voor ogen wat voor moois hij of zij met zo'n studie kan doen'', zegt wiskundeleraar Henk Oosterhof van het Roelof van Echten College. ``Klaarblijkelijk kunnen wij dat ook niet over brengen.'' De leraren missen een verbinding tussen de theorie in het lokaal en de praktijk van de wereld van de jongeren. Van Echten: ``Hun wereld is vol met techniek zoals mobiele telefoons en mp3 spelers maar dat kunnen we als leerkrachten niet verbinden. Door de samenwerking met de NAM hopen we te laten zien wat een bètastudie in de praktijk betekent.''

Het is al vaak vastgesteld: Nederland heeft in vergelijking met de landen om ons heen een schrikbarend laag aantal bèta's. Driekwart van de aio-plaatsen in het hogere technische onderwijs wordt opgevuld door mensen uit het buitenland. Het Ministerie van Onderwijs heeft daarom als doel gesteld dat in 2007 het aantal scholieren dat voor een bètastudie kiest met vijftien procent moet zijn toegenomen in vergelijking met 2000. Er waren toen ruim 20.000 studenten die voor een exacte studie kozen. Volgens voorlichter Rolf Schreuder van het Platform Bèta en Techniek wordt dat streefcijfer wel gehaald. ``De instroom aan het einde van de vorige eeuw was een dieptepunt. Maar we moeten ook denken over de lange termijn en dat is moeilijker.''

Sinds een jaar richt het Platform Bèta en Techniek waarmee ook Jet-Net nauw samenwerkt, zich vooral op het Nederlandse basis- en voortgezet onderwijs. De organisatie is de opvolger van Axis en was in een nog verder verleden betrokken bij campagnes als `Kies Exact' en `Een slimme meid is op haar toekomst voorbereid'. Volgens Rolf Schreuder krijgt het Platform voortdurend die twee laatste campagnes om de oren als het bewijs dat het toch niet helpt om te knokken voor meer bèta's. Maar, zegt Schreuder, dat waren voorlichtingscampagnes en niets meer. ``Er werd niets structureels aan het probleem gedaan en dat doet het Platform juist wel door bijvoorbeeld ook de kwaliteit van het onderwijs in bètavakken aan te pakken.'' Volgens Rolf Schreuder is de middag voor de bètaleerkrachten van Jet-Net ook vooral een kwestie van achterstallig onderhoud. ``Er is veel te lang geen aandacht besteed aan deze leerkrachten en hun secties. En zij zijn toch heel bepalend voor de keuze van het vakkenpakket die jongeren maken.''

Volgens het onderwijsverslag 2004 van de Inspectie van Onderwijs ligt een groot deel van de oorzaak van het tekort bij de keuze die leerlingen in het voortgezet onderwijs maken voor een vakkenpakket. De keus voor een vakkenpakket lijkt, zo zegt de Onderwijsinspectie, meer op een afvalrace dan op een weloverwogen keus voor een pakket dat een leerling op de toekomst voorbereid. Het profiel natuur en techniek, het meest exacte profiel van de bovenbouw van de havo en vwo, is tegelijkertijd het minst gekozen profiel. Slechts twee procent van de meisjes in de havo en vijf procent van het atheneum kiest dit profiel. Bij de jongens is dit respectievelijk 11 en 29 procent.

Op grond van schoolbezoek concludeert de Inspectie ook dat veel lessen in wiskunde, natuurkunde, scheikunde en techniek in de onderbouw van het voortgezet onderwijs weinig uitdagend zijn. De leerkrachten leggen vooral het probleem bij de leerlingen maar steken, aldus de Inspectie, niet de hand in eigen boezem. Volgens diezelfde Inspectie is de maatschappelijk waardering voor techniek nog onvoldoende doorgedrongen in de maatschappij en daarmee ook in het onderwijs.

Toch is er in Nederland wel degelijk een voedingsbodem voor bètaonderwijs want uit internationaal onderzoek zoals het PISA-onderzoek (Programm for International Student Assesment van de OESO) onder vijftienjarigen blijkt dat Nederland alleen de superwiskunde landen als Honk Kong, Finland en Korea voor moeten laten gaan. En uit TIMMS (Trend in International Mathematic and Science Study) blijkt dat bij de tien tot veertienjarigen alleen de Aziatische tieners in exacte vakken beter presteren dan de Nederlandse.

Er is een lichtpuntje. Het ziet er naar uit dat het aantal aanmeldingen voor bètastudies in zowel het hoger beroeps- als wetenschappelijk onderwijs dit jaar licht is gestegen. Voorlichter Rolf Schreuder van het Platform Bèta en Techniek: ``We moeten natuurlijk afwachten wie daarvan uiteindelijk afstuderen en daadwerkelijk aan het werk gaan in de sector.'' Minpunt is dat het aantal wiskundestudenten afneemt. Slechts 200 studenten in heel Nederland hebben zich dit jaar aangemeld voor een studie wiskunde. Te weinig wiskundestudenten betekent ook een tekort aan leerkrachten. Die kwestie knelt des te meer, omdat zes procent van bètaleerkrachten komende jaren met pensioen gaat.

Waarom kiezen Nederlandse leerlingen niet massaal voor zo'n kansrijk techniek profiel? Uit een door het Platform Bèta en Techniek georganiseerde jongeren expertmeeting blijkt dat de rol van de leerkracht van groot belang is. Leerlingen geven aan dat de wijze van lesgeven en het imago van de leerkracht van belang zijn. In de bijeenkomst zegt een meisje: ``Je wilt alles worden maar geen leraar Natuurkunde.'' De leraar is het voorbeeld dat veel leerlingen krijgen als ze bezig zijn met bèta en techniek in het onderwijs. Maar hoe verander je het imago van de bèta- leerkracht?

Het is lerares wiskunde Margreet uit Delft ook een raadsel. In haar sectie is de meerderheid van de leerkrachten vrouw. Maar toch is het voor de meiden geen voorbeeld. ``In mijn klassen zijn er genoeg meiden net zo goed in wiskunde zijn als de jongens maar toch laten ze het vak vallen. Of ze kunnen een hard Natuur en Techniek profiel prima aan maar kiezen voor het zachtere profiel Natuur en Gezondheid. Ik probeer wel eens te achterhalen waarom dat zo is. Veel blijkt er zowel vanuit de ouders als de leerkrachten bij de geringste twijfel altijd maar voor het mindere moeilijke profiel te worden gekozen. Terwijl dat bij jongens niet gebeurt.''

Het Haagse Vrijzinnig Christelijk Lyceum (VCL) heeft als een van de eerste scholen in Nederland afgelopen jaar bewust gekozen voor een sterk bètaprofiel. Leraar Natuurkunde Jan Dorrepaal: ``we profileren ons zoals andere scholen dat doen met kunst en sport. Het is een gat in de markt. We kiezen er voor om niet alleen de bollebozen die toch wel Natuur en Techniek kiezen maar ook de twijfelaars over de streep halen. We hebben nu zestig leerlingen in 6 vwo met de profielen Natuur en Techniek en Natuur en Gezondheid. Daar zitten er natuurlijk ook bij die we echt moeten sturen en stimuleren. Maar daar ben je toch voor als leerkracht? Je moet de stof zo kunnen uitleggen dat de bollebozen verder kunnen en het goed uitleggen aan degenen die niet zo hard gaan. En ja, de vraag waarvoor heb je dit toch nodig moet je als docent kunnen beantwoorden. Wanneer je leerlingen uitlegt waarom ze de theorie nodig hebben bij bijvoorbeeld het bepalen van de remweg van hun scooter dan wordt het veel concreter.''

Het eerste deel van deze serie verscheen in de bijlage W&O van 24 september.