Achtergebleven in Bamiyan

De Hazara's in Bamiyan voelen zich buitengesloten door de Afghaanse regering. Vier jaar na de val van de Talibaan is er nog steeds geen verharde weg.

De oude bazaar van Bamiyan, aan flarden geschoten door de Talibaan, ligt er nog steeds verlaten en naargeestig bij. In de verte domineren de gapende gaten in het zandkleurig gebergte, waar ooit de twee reusachtige, 1.700 jaar oude boeddhabeelden, uitgehouwen in de rotsen, stonden. Ze zijn onontkoombaar in de groene sprookjesvallei van Bamiyan en herinneren de bewoners dagelijks aan de zo gehate Talibaan, het extreem-islamitische bewind dat begin 2001 de boeddha's opblies.

In Bamiyan, de onherbergzame provincie in centraal Afghanistan, groeit de frustratie. Kabul ligt op nog geen 200 kilometer afstand, maar de Hazara's in deze regio voelen zich vergeten door de regering in de hoofdstad. Het is een van de armste provincies van Afghanistan: verharde wegen, elektriciteit en water zijn nog altijd afwezig. Zo'n 400.000 mensen moeten het doen met twee ziekenhuizen. Een asfaltweg tussen Kabul en Bamiyan ontbreekt, terwijl andere delen van Afghanistan, zoals Kandahar, wel verbonden zijn dankzij de aanleg van nieuwe wegen.

In grotten en huizen op de rotsen vlak naast de lege nissen waar de boeddhabeelden stonden, leven straatarme Hazara's die geen geld hebben voor een stukje land. De 70-jarige Yakob is een van die bewoners. Een man met een tanig gezicht, spierwit baardje en een tulband. Een ruw stuk touw om zijn middel houdt zijn gerafelde broek omhoog. Naast hem staat zijn ezel met drie jerrycans op de rug. Dagelijks is hij twee uur kwijt met het op een neer lopen naar de rivier, om water te halen. ,,Er is hier niets, maar het is tenminste wel veilig nu'', zegt hij.

De verwachtingen die de Hazara's hadden van de nieuwe regering en een moderne democratie met gelijke kansen voor iedereen waren hoog, nadat de Talibaan eind 2001 werden verdreven. Begrijpelijk, want de Hazara's zijn shi'ieten, een minderheid in het overwegend sunnitische Afghanistan. Ook hun uiterlijk is anders: ze hebben Mongoolse trekken. Ze zouden volgens de overlevering afstammelingen zijn van Djenghis Khan, de Mongoolse krijgsheer die in de dertiende eeuw over Afghanistan heerste.

Hun recente geschiedenis is er vooral een van onderdrukking: in grote delen van de twintigste eeuw werden zij geknecht door heersers van de toonaangevende Pathaanse meerderheid in Afghanistan. Hazara's maken 10 tot 15 procent uit van de Afghaanse bevolking van ruim 25 miljoen mensen – Pathanen zijn goed voor 40 procent. Samen met de provincies Uruzgan en Ghor vormt Bamiyan de regio Hazarajat, waar voornamelijk Hazara's wonen. In de grote steden werkten ze, en werken nog altijd, als bediendes, sjouwers en bakkers. De fundamentalistische Talibaan beschouwden de Hazara's als afvallige moslims.

Shams Rasikh is projectleider van het Nationaal Democratisch Instituut in Bamiyan, een organisatie die zich bezighoudt met openbaar bestuur en politiek. Het beste wat de Hazara's is overkomen sinds 2001, is dat ze niet meer worden vermoord door de Talibaan, zegt hij. ,,Verder is er niet veel veranderd. President Karzai kwam dit jaar langs en complimenteerde ons met de groenheid van de omgeving. Meer had hij niet te zeggen.''

Zijn cynisme is niet verwonderlijk. De vruchtbare vallei is er altijd geweest, maar beslaat slechts 10 procent van de gehele provincie, die voornamelijk gedomineerd wordt door de kale, droge bergen van de Hindu Kush (hier bekend als de Koh-e-Baba).

Ooit was Bamiyan een populaire halte langs de roemruchte Zijderoute. In het moderne Afghanistan is de provincie echter niets meer dan een ontoegankelijk afgelegen oord, waar geen industrie is en landbouw slechts zes maanden per jaar mogelijk is als gevolg van het gure klimaat. Volgens inwoners is de enige echte vooruitgang die dan ook geboekt is, beperkt gebleven tot het 's winters wegschuiven van sneeuw op een van de belangrijke (onverharde) toegangswegen. Daarmee is een jaar geleden begonnen, waardoor Bamiyan nu niet meer volledig afgesloten is van de rest van het land tijdens de lange, kille winters.

In haar sobere kantoor slaakt Habiba Sohrabi een zucht als haar wordt gevraagd naar de gang van zaken in Bamiyan. De 48-jarige Sohrabi is de eerste vrouwelijke gouverneur van Afghanistan. President Karzai benoemde haar twee jaar geleden, daarvoor was ze minister van Vrouwenzaken in zijn regering. ,,Het klopt allemaal wat er gezegd wordt: er is hier weinig gebeurd. Als de regering nu eens geld zou steken in het aanleggen van goede wegen, dat zou al een hoop schelen'', zegt ze.

Hoe het zo ver gekomen is, daar heeft Sohrabi na enig aandringen wel ideeën over. In de regering in Kabul zijn de Hazara's nauwelijk vertegenwoordigd. En president Karzai heeft het vooral druk met zijn Pathaanse achterban, de voormalige krijgsheren en de Tadzjieken, die als bevrijders van Afghanistan van de Talibaan (met de Amerikanen) ook te vriend moeten worden gehouden.

,,Dat klopt wel een beetje'', zegt ze met een ondeugende lach. ,,In Kabul spelen de Hazara's geen rol, onze provincies liggen ver weg. Ik hoop dat de parlementsverkiezingen [vorige maand] de Hazara's een grotere stem zullen geven.''

Dat laatste is hard nodig, zegt de 45-jarige Beshod in het dorpje Topchi, op een half uur rijden van de stad Bamiyan. Zijn voortanden zijn voor de helft afgesleten. Diepe groeven tekenen het gelaat van de dorpsoudste. Veel heeft Topchi niet om het lijf. Zand, stof en droogte. Vierkante huisjes voor honderd gezinnen. Geen water. Geen stroom. Geen toiletten. Ezeltjes, kruiwagens en de hoofden van de vrouwen dragen jerrycans en emmers met water uit de rivier beneden in de vallei.

De families in het dorp leven van het weven van tapijten. Beshod is nog steeds bezig zijn huis af te bouwen (,,Tijdens de winter leefden we in een tent.''), terwijl zijn kinderen weven, elke dag, van 's ochtends vroeg tot 's avonds een uur of tien. ,, We kunnen amper rondkomen. Niemand helpt ons. Soms denken wij dat Kabul Bamiyan vergeten is.''